Bibliografie *
Woord vooraf
Lang heeft het Westen geloofd, dat het christendom het laatste woord had inzake beschaving en godsdienst. Het mensdom werd door Christus verzoend met God, en zou uiteindelijk door Hem geoordeeld worden. Dat was de officiële waarheid. Onlangs werd datzelfde Westen echter geconfronteerd met een oude bekende, maar sinds geruime tijd vergeten mededinger van het christendom, de islam.
Mohammed werd weliswaar nooit als een ernstige rivaal beschouwd om definitief te gaan wegen op de wereldbeschouwing van het Westen. Hij bleef wat hij eens geweest was, een Arabisch fenomeen, een typisch Oosters en dus voor ons begrensd verschijnsel. Toch heeft de immigratie uit de islamitische landen zulk een invasie teweeggebracht van compleet vreemde gedrags- en denkpatronen, dat zij een schok veroorzaakten. Daarbij waren het niet alleen gebruiken die verschilden, maar ook de volledige godsdienstige en zelfs maatschappelijke referentiekaders. Christus, die centraal stond, werd nu slechts een profeet tussen andere profeten, soms zelfs volledig verdrongen door Mohammed, die in de koran de goddelijke openbaring meedeelde en zijn eigen godsdienstige gebruiken en wetten formuleerde. Daarbij zijn de verschillen met het christendom niet zo oppervlakkig: er is de polygamie, er is de heilige oorlog, er is de verschillende seksuele moraal, het verbod op alcoholische dranken, de dagelijkse en heel typische gebedsgedragingen (de salat) , raka` prosternatie ; maar er is bovenal het streven van de islam naar de verwezenlijking van de godsdienstige éénheidscultuur volgens de wetten van de koran. Dat godsdienstige fundamentalisme omvat het fanatieke benadrukken van de uitsluitende waarheid en superioriteit van die koran en van de islamitische wetgeving Voor de islam is elke vernieuwing, elke afwijking van de wetten van de koran erger dan een dwaling, het is een zonde, een misdaad. Daarbij wordt impliciet de volledige evolutie van het recht en van de samenleving in het Westen genegeerd en afgewezen, en daar zijn dan vooral de vrijheid van godsdienst en meningsuiting of de emancipatie van de vrouw patente voorbeelden van. Daarom is de islam een probleem voor het Westen. Het is voor een stuk een terugkeer naar voor de moderne westerling verouderde en verlaten denkpatronen, die hij als middeleeuws ervaart. Tegelijkertijd betekent de ontmoeting met de islam ook een uitdaging, omdat die compleet achterhaalde denkbeelden toch nog een aantrekkingskracht blijven uitoefenen op miljoenen mensen en hun ideeënwereld fel beperken. De confrontatie van deze beide werelden is één van de prangendste problemen van de psychologie. Ik dank alle specialisten, oriëntalisten en artsen, die hun opmerkingen meedeelden en zodoende bijdroegen tot dit werk. Met dank aan de uitgeverij Mosby (St Louis, Illinois) voor de toelating tot reproductie van de afbeeldingen uit G.T. Tindall, Disorders of the Pituitary.
Inleiding
Voor de psychologie stelt de islam twee problemen:
het eerste: wat is de essentie van de islam, in welke mate hangt die samen met de psychologie van Mohammed, en derhalve welke zijn daarin de blijvende waarden en welke de bijkomstige tijdsgebonden elementen?
Door sommige breed- en moderndenkende moslims wordt daarenboven nog een andere vraag gesteld. Welke elementen hebben islam, jodendom en christendom gemeenschappelijk? Kunnen wij komen tot een gezuiverde religie, die al deze godsdiensten omvat en de basis zou kunnen vormen van een gemeenschappelijk godsdienstig aanvoelen?
Ook sommige christelijke theologen ( Küng) denken anders: Zou men het niet zo kunnen opvatten, dat Mohammed in Gods plan dezelfde functie vervulde als de andere profeten uit het Oude Testament en als taak had het Arabische volk gevoelig te maken voor het monotheïsme?
Dat wordt waarschijnlijker, omdat naar-ons- aanvoelen bedenkelijke zijden van het karakter en het gedrag van Mohammed ook in het Oude Testament schering en inslag zijn; denk aan Mozes, Joshua en anderen, die oorlog voerden en de overwonnenen niet spaarden. Als men er van uitgaat, dat de oudtestamentische profeten echte godsgezanten zijn, dan ziet men niet goed meer in, waarom Mohammed dat ook niet zou kunnen zijn.
Vervelend is alleen het feit dat Mohammed zo radicaal ontkent dat Jezus Gods zoon is en zo, gezien vanuit het christendom, zich opstelt als de aartsketter. Hetzelfde bezwaar geldt trouwens voor het jodendom, dat een andere Messias blijft verwachten en ontkent dat Jezus dat zou zijn en tegelijkertijd ook Mohammed verwerpt. Op het gebied van het dogma is verzoening dus duidelijk niet mogelijk; overeenkomst nastreven is hetzelfde als de quadratuur van de cirkel zoeken. Zelfs abstractie gemaakt van het dogma is het aartsmoeilijk om een spiritualiteit op te bouwen uit de gemeenschappelijke elementen van die godsdiensten, want daar ook stoot men op onverzoenlijke tendensen van de onderliggende dynamismen.
Een van de belangrijkste is het exclusivisme van al die godsdiensten. Alleen Allah en zijn profeet, zal de moslim zeggen. Alleen Mozes en de Thora zal de jood zeggen. Alleen Christus en zijn Kerk, zal de christen zeggen.
In de Grieks-Romeinse godsdienst was elke god welkom, hij kreeg zijn plaats in het Pantheon. De bijbel integendeel sluit alle andere goden uit. Er is maar één God, en dat is de ware; al de rest zijn afgoden. Oorzaak van dit exclusivisme is het onvoorwaardelijke en blinde geloof in de kerkelijke leiders, de blinde gehoorzaamheid aan bisschoppen, rabbijnen en imams, die niet mogen afwijken van de oorspronkelijke orthodoxie en die daardoor elke rationele ontwikkeling blokkeren.
In het Westen is er niettemin zware en gegronde kritiek ontstaan op dit geloof en die gehoorzaamheid. Het is immers logisch beschouwd compleet onmogelijk dat alle godsdiensten tegelijk de volledige en enige waarheid zouden bezitten. Ernstige studies hebben duidelijk gemaakt dat vele godsdienstige `waarheden', eigenlijk geen waarheden maar legenden en mythen waren, en een reeks `dogma's alleen maar onhoudbare en soms zeer schadelijke waangedachten, die de intellectuele ontwikkeling van het mensdom erg vertraagden. Daarbij groeide ook de overtuiging, dat het vertrouwen waarvan de kerkelijke en andere godsdienstige overheden genoten absoluut niet gerechtvaardigd was, integendeel. Heel recent heeft het verschijnsel van het parasitisch vermenigvuldigen van allerlei sekten, waarvan zonder meer bewezen werd dat het zuivere oplichterij was, veler ogen geopend.
Toch blijven bij gebrek aan adequate voorlichting en duidelijk inzicht in vele geesten van gelovigen nog veel open vragen, veel duistere plekken, veel zwarte gaten. Als het christendom het al zo moeilijk heeft wegens de eeuwenoude tradities, als men voor het jodendom zulk een inhibitie ervaart, des te meer omdat deze ook op racistische en nationalistische basis gestoeld is, zal een minder bekende godsdienst waarvan men niet goed weet wat men er aan heeft, wegens de relatieve ruimtelijke isolatie en beperking ervan, het nog moeilijker hebben.
De islam is die godsdienst, waarmee het Westen nu geconfronteerd wordt en die het zo weinig aanvoelt, als zo vreemd en dreigend ervaart, dat het er zich enerzijds met zijn democratische beginselen op een onhandige wijze tegen verzet en anderzijds geïrriteerd raakt door het voortdurende onbegrip in de wederzijdse betrekkingen.
Vandaar de chaotische diplomatie, de talrijke inconsequenties in de politiek, en de verwarring in de geesten. De fundamentele reden daarvan ligt in het gebrek aan exacte benadering, klare logica en duidelijk denken. Meestal ontbreekt het ook aan elk diepgaand begrip.
In dit werk trachten we meer duidelijkheid te scheppen.
Een tweede probleem is het volgende: Hoe komt het dat de islam zo'n aantrekkingskracht heeft uitgeoefend, en nog blijft uitoefenen op miljoenen gelovigen? Hoe is het verklaarbaar dat iemand als Mohammed er toe gekomen is, zich niet alleen een kring van gelovigen te vormen, maar bovendien aan de oorsprong te liggen van het stichten van een rijk , dat een van de machtigste werd van zijn tijd? Waar is de drijvende kracht, de basis-energie, de sleutel van die expansie, van die radicale omvorming van zovele geesten, van die vaste overtuiging? Is er in de islam, vergeleken met het christendom, meer innerlijk vuur, meer inwendige kracht? Is Mohammed een betoverender figuur dan Jezus van Nazareth? Of is alles gewoonweg een gevolg van de intellectuele onderontwikkeling van een reeks volkeren, die nooit de Verlichting hebben gekend, de rationele kritiek en slechts met mate de moderne universitaire cultuur, en zelfs voor een groot deel bleven steken in een graad van ongeschooldheid en onwetendheid.
Niettegenstaande ze ongetwijfeld een zekere eigen cultuur hadden, werden ze meer gelijkgesteld met de primitieven van Afrika dan vergeleken met de doorsnee Westerling, al is die ook gemiddeld niet zeer goed geïnformeerd en onderhevig aan heel wat intellectuele dwaling en verwarring. Veelal wordt de dialoog, voor zover men daarvan kan spreken, tussen godsdiensten of sekten als een ideeënstrijd gezien. Men stelt geloofsbelijdenissen op, men vaardigt wetboeken uit, men stelt beginselen voorop. Daarvan wil men niet afwijken. Men wil gelijk hebben en veroordeelt alle anderen. Meestal verwaarloost men daarbij het onderzoek naar de oorsprong en wel de menselijke oorsprong van die ideeën. Tenslotte is de islam ontsproten uit het brein van Mohammed. Welnu hoe stond het met dat brein? Wat ging daarin om? Deze vraag kunnen we nu eindelijk beantwoorden, dank zij de vooruitgang van de psychologie, de psychopathologie en de psychofysiologie
Eerste Hoofdstuk : Geschiedenis of mythe
Iedereen weet dat geschriften en traditionele verhalen over beroemde of beruchte personen veel legende bevatten. Het is soms heel moeilijk waarheid van leugen te onderscheiden. Zo komt het, dat ook over Mohammed, alhoewel hij dan in de tijd dichter bij ons staat dan een figuur als Christus en er relatief veel meer over hem geweten is, toch een waas van geheimzinnigheid blijft hangen.
Zowel bij Jezus van Nazareth als bij Mohammed zijn we slechts redelijk zeker over de hoofdlijnen van hun bestaan. Als we heel streng willen zijn kunnen we zeggen dat we alles wat we over deze twee figuren met echte historische zekerheid weten rustig op een kleine briefkaart kunnen schrijven.
Dat komt omdat we buiten laattijdige en bevriende bronnen eigenlijk maar over weinig of geen onafhankelijke getuigenissen van tijdgenoten beschikken. En toch hebben we de indruk dat ze ons zeer nabij zijn, soms levendig voor ogen staan dank zij de schilderachtige en menselijk rijke benadering in de talrijke tradities, die ons werden overgeleverd. Natuurlijk werden beide figuren daarin geïdealiseerd: wonderen en hoedanigheden werden hun toegeschreven, om ze goddelijker of belangrijker te maken.
Dat belet niet, dat bepaalde feiten, bepaalde verhalen toch een stempel van authenticiteit dragen. Wie de negen boekdelen van het werk van Al- Bukhari (a. 870) doorleest, die vooral `hadiths' ofwel gezegden van en over Mohammed bevatten, heeft sterk de indruk dat ze voor een groot deel authentiek zijn. We vinden daar alle details over Mohammed, niet alleen over zijn uiterlijk verschijnen, maar ook over hoe hij zijn gebeden deed, hoe hij een bad nam, wanneer en hoe hij zich waste, hoe hij zich gedroeg als Aisha, zijn geliefde hoofdvrouw, maandstonden had, hoe Aisha en hij zich na de geslachtsbetrekkingen wasten met het water uit één pot en dergelijke.
We krijgen ook een idee over allerlei opvattingen en beslissingen van Mohammed, niet alleen over dagelijkse en banale dingen, maar ook over de grote beginselen van de islam. Natuurlijk vinden we er ook een portie mythologie in, zoals de wolf die spreekt, de palmboom die begint te kreunen, zoals de wonderbare vermenigvuldiging van voedsel en dadels, maar het is eenvoudig om die verhaaltjes eruit te halen.
Maar waarom zouden de hadiths leugens bevatten als ze ons Mohammed afschilderen als een heel bijzonder uitziend man zoals er geen andere te vinden was..
Hij was een man van middelmatige gestalte, breed geschouderd, die dus een atletisch lichaamstype (mesomorf) had. Tussen de schouders had hij het zogenaamde zegel van de Profeet: een soort grote wrat als een duivenei, dikbehaard, en donkergeel.
Hij had grote handen en voeten, maar zacht aanvoelende handpalmen, lange armen en stevige dikke kuiten.
Wanneer hij lang gestaan had, waren zijn voeten gewoonlijk opgezwollen.
Hij had een groot hoofd, een dunne hals, een breed voorhoofd, en een rond aangezicht.
Zijn gelaat was niet erg wit, maar ook niet donker getaand, eerder iets rozig. Daarin blonken grote zwarte ogen, die nochtans iets rood hadden (ze waren ontstoken (conjonctivitis ?) en waterig).15 Zij werden overbrugd door lange wimpers en brede wenkbrauwen, die bijna ineengegroeid waren. Een lange neus en een brede mond zonder snor,17 hier en daar een grijs haar onder de lip, dat hij trouwens rood kleurde, vloeiden over in een dikke volle baard die zelfs zijn nek bedekte en reikte tot aan zijn oren. De witte haren in zijn baard kon men gemakkelijk tellen. - Een grijze baard kon men namelijk rood, geel of blauw kleuren, maar niet zwart. Bij de verrijzenis zal Allah diegenen die hun baard zwart kleurden niet eens een blik gunnen, zei hij. - Zijn oren waren goed ontwikkeld . Die kon men zien onder het kort golvende haar, dat niet te zeer gekruld en ook niet stijf was.
Hij was corpulent, en de borst en buik bereikten ongeveer dezelfde prominentie. "Ik ben corpulent geworden", zei hij, "dus doe mij niet teveel staan (qiyam), niet teveel buigingen doen tijdens het gebed (raka) en niet teveel prosternaties (sudjud)".
Hij zweette zodanig dat de druppels paarlen leken. Zijn transpiratie had ook een eigen geur, sterker dan muskus.
Zijn lichaam was behoorlijk behaard: er was haar op zijn schouders, zijn armen en de uitstekende delen van de borstkas; van af zijn sleutelbeen tot de onderbuik had hij een brede strook beharing. Het leek wel een vertakte boom.
Zijn oksels en zijn lenden waren wit. De beharing van de schaamdelen epileerde hij met eigen hand.
Zijn gang was als van iemand die van een berg naar beneden stapt. Hij liep enigszins gebogen.2
Ook zijn blik was meestal naar beneden gericht. Als hij zich keerde, draaide hij heel zijn lichaam.
Hij sprak traag, met pauzes, zodat iedereen die hem hoorde gemakkelijk kon onthouden wat gezegd werd. Zijn stem was niet melodieus, doch eerder schril.
Hij had een slepende ziekte, en paste daarvoor zijn eigen medicatie toe: aderlating met name via twee aders van de zijkant van de hals en een in de achterkant van de nek, of in het midden (?) van het hoofd. Mohammed raadde dit iedereen aan als een remedie tegen hoofdpijn, tandpijn, slapeloosheid en ziekte, zelfs mogelijk geestesziekte. Hij leed dus periodiek aan hoofdpijn.
Hij zat gewoonlijk op zijn hurken. De maaltijd genoot hij opgericht, niet liggend zoals de rijke lui. Hij had graag kussens of een peluw van schapevacht. Hij voedde zich hoofdzakelijk met brood, dadels en olijfolie, en soms vlees (schapen, geiten en kamelen). Hij zou niet eten van als aalmoes gegeven voedsel, alleen als het als geschenk werd aangeboden. Hij reed gewoonlijk op een ezel of een witte muilezel.
Hij droeg gelapte schoenen, of simpele laarzen en herstelde zelf zijn schoenen en lapte zijn kleren. Dat belette niet dat er verteld wordt dat hij later eens een kleed kocht ter waarde van 29 kamelen. Hij ging zelf winkelen. Zijn hemd was van katoen, - hij bezat twee groene hemden, - toch droeg hij naast Syrisch bedrukt katoen ook zuivere zijde. Een van zijn hemden kostte één gouden dinar. Zijn hemd was eerder kort: vier ellebogen lang en twee ellebogen en een hand breed. Zijn mantel was wit, rood of saffraankleurig geel. Bij de intrede in Mekka droeg hij een zwarte tulband. Hij deed zijn gebeden en had daarbij slechts één kleed aan, nl. zijn slaapkleed, dat hij ook aanhield tijdens de seksuele betrekkingen. Hij droeg het onder de arm en dan over een schouder geslagen.31 Aan de vinger had hij een zilveren zegelring met de inscriptie: Mohammed, boodschapper van Allah. Hij was steeds zeer decent in zijn algemene houding en zijn woordgebruik.
Bepaalde uitingen van Mohammed zijn pittig en duidelijk, niet bedoeld om te stichten. Men sprak bij voorbeeld in aanwezigheid van de Profeet over een man, zeggende dat hij niet opgehouden had te slapen tot de volgende morgen zonder op te staan om het gebed (de salat) te doen. De Profeet antwoordde daarop: "De duivel heeft hem in het oor gepist".
Hij had een zacht karakter, was nooit brutaal of hard. Hij was eerder verzoenend en vergevensgezind. Hij maakte geen lawaai op de markt. Hij zei nooit neen; hij zei ofwel ja, ofwel zweeg hij. Als er iets lachwekkends werd gezegd, glimlachte hij eerder.
Hij zou nooit iemand of iets geslagen hebben behalve wanneer hij ging vechten voor Allahs zaak.
Zijn wapens waren afkomstig uit de buit. Zo was er zijn zwaard (dhu al faqar) met zilveren hecht, buitgemaakt in de slag bij Badr, een schild met de afbeelding van de kop van een ram, buitgemaakt op de Kainuka-joden en een drietal bogen en speren van dezelfde oorsprong.
De woningen van zijn vrouwen waren opgetrokken uit gedroogde bakstenen, de binnenmuren bestonden uit palmtakkenloof, bepleisterd met aarde; voor de deur hing een zwart haren gordijn.
Dat is het beeld dat de traditie ons van Mohammed achterliet, en we zien niet in waarom het onbetrouwbaar zou zijn. Als we geschiedenis bestuderen, dan maken we eerst een studie van de bronnen. Wij vragen ons af: Over welke bronnen beschikken we, hoe betrouwbaar zijn ze?
Over Jezus van Nazareth en over Mohammed beschikken we niet over directe echt historische rapporten, slechts over nadien opgetekende orale tradities van gelovigen. Het is alsof we in een assisenproces alleen beschikten over getuigenissen ten ontlaste van vrienden en kennissen van de verdachte zoals die in de krant worden weergegeven. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat daarin ook niet veel waarheid kan schuilen. Het probleem ligt alleen in het toetsen van het waarheidsgehalte. De traditionele historische kritiek en tekstkritiek beschikt over een zekere ervaring met historische teksten. Zelden komt men echter tot definitieve besluiten; men blijft veelal achter met ernstige twijfels, die men dan naar gelang de persoonlijke aanleg en voorkeur zal beslechten. Daarom waren historische studies dikwijls vrijblijvend, en gaven zij soms zeer uiteenlopende visies op de personages die zij behandelden. Bovendien zijn er in de godsdienstige figuren zoals Christus of Mohammed steeds twee aspecten: er is het historische en er is het gelovige aspect.
De Christus of Mohammed van het geloof is niet de Christus of Mohammed van de geschiedenis. De gelovige transformeert immers het object van zijn geloof tot een ideaal, zoals hij dat zich voorstelt of droomt. Zo werd de Christus van het geloof het zoeterige Heilig Hart en de hemelse bruidegom voor de kloosterzusters, terwijl de historische Christus integendeel droomde van de bloedige en definitieve vernietiging van het Romeinse Rijk.
Mohammed werd de wijze wetgever, de schrandere diplomaat, de geniale legeraanvoerder, en vooral de Grote Profeet. In de moslimfolklore is er het getuigenis van de gazelle, de wolf, de salamander, de kat, die spreken of getuigen voor de Profeet. Hij is de zoete prins, de bruidegom, de wolk van barmhartigheid, het zegel van het profetendom; hij verenigt het wetgevend gedrag van Mozes met de beminnelijkheid van Jezus om zo een model te zijn voor het mensdom.
Tot diep in de moderne tijden was Mohammed ook een soort incarnatie van de duivel, een pseudoprofeet, een bedrieger. In de christelijke literatuur werd Mohammed bovendien voorgesteld als oorlogs- en roofzuchtig en seksueel bandeloos. Christelijke auteurs leggen de nadruk op het feit dat hij ` ummi' was, een ongeletterde, gemakkelijk misleid door twijfelachtige godsdienstige personen, joodse en christelijke ketters.
Djinn djahannam sura Moslims argumenteerden daartegen: Was Mohammed een ongeletterde, dan was de goddelijke oorsprong van de koran bewezen, want alleen God kon hem dan geïnspireerd hebben.
In de moderne tijden kwam een ander beeld van Mohammed op de voorgrond: Mohammed was de veroveraar, de wetgever, de bescheiden en tegelijk fanatieke priester. Voltaire schilderde hem zo af, terwijl hij eigenlijk de geestelijkheid van zijn tijd viseerde.
Mohammed werd ook voorgesteld als de profeet-moordenaar en tegelijk de edelmoedige verzoener. Was hij dat ook in werkelijkheid?
Wil men nu min of meer de zuivere waarheid benaderen, dan zijn er technieken en methodes nodig die ons toelaten met een grotere relatieve zekerheid te opereren. In de psychologie zijn recent twee methodes van onderzoek ontwikkeld die niet helemaal nieuw zijn, maar die, nauwkeuriger en met meer inzicht toegepast, toelaten met grotere zekerheid en wetenschappelijkheid te werk te gaan. De eerste methode steunt op de verworvenheden van de psychopathologie. Deze is een wetenschap die de symptomatologie van de geestesziekten beoogt te classificeren en ze beschrijvend te identificeren. Na een zeer vroege aanzet in de Griekse Oudheid, waaraan ze een deel van haar terminologie trouwens te danken heeft, werd zij vooral ontwikkeld in de late 19e en begin de 20ste eeuw. In de Oudheid kende men al geestesziekten als de epilepsie, de manie, de paranoia. Het is nochtans pas in de 20ste eeuw en dan vooral na 1950 dat de psychopathologie een degelijke wetenschap werd. Deze wetenschap is totaal onafhankelijk van oude teksten en oordeelt volgens hedendaagse criteria. Zij kan dus als een onafhankelijke maatstaf gehanteerd worden. Als in oude teksten syndromen worden beschreven, die, hoewel toentertijd onbegrepen, voor ons identificeerbaar zijn doorheen de soms onhandige verwoordingen van de tijdgenoten, dan zijn we zeker dat deze getuigen iets beschreven dat ze in werkelijkheid hadden gezien. Een heel treffend voorbeeld is de merkwaardige en heel nauwkeurige beschrijving van een kinderlijke epilepsie in het evangelie van Marcus. Het `door de duivel bezeten' kind leed aan een complicatie van een perinatale oorontsteking, die een thrombo-flebitis in de hersenen veroorzaakte. Deze was de rechtstreekse oorzaak van de epileptische toevallen. De tekst van Marcus geeft alle details om een dergelijke diagnose te stellen: niet alleen de volledige symptomatiek van een epileptische aanval wordt correct vermeld, nl. de initiële kreet, de stuiptrekkingen, het schuim op de mond, en tenslotte de cyanose of het blauw of lijkbleek worden, maar ook de etiologische elementen ontbreken niet: van bij de geboorte leed het kind aan bewustzijnsverlies (het viel zomaar in het water of in het vuur), het was doofstom (wat wijst op een oorontsteking).
Voor historische personages worden rechtstreekse getuigenissen veelal vervangen door onrechtstreekse tradities, die bij het overleveren bepaalde transformaties hebben ondergaan. Dit maakt de taak van de historicus bijzonder complex en delicaat, want nu moet hij ook kunnen onderkennen op welke wijze en in welke mate bepaalde tendensen de gegevens vervormd hebben. Natuurlijk bestaan hier ook bepaalde gewoonten: schandalige, aanstootgevende, minder fraaie elementen worden verdoezeld; wonderen, verbazingwekkende evenementen worden verdicht, bijgevoegd en verzonnen, soms met ergens een basis in de werkelijkheid, en dat maakt het niet altijd gemakkelijk. De ervaring heeft ons geleerd een deel van deze elementen wegens bepaalde kenmerken onmiddellijk als verzonnen te catalogizeren, terwijl andere elementen de kenmerken vertonen, die ze ons als eventueel authentiek kunnen laten herkennen. Zo zijn er in bepaalde wonderverhalen een aantal clichés, die onmiddellijk duidelijk maken dat het om vervalsingen gaat, zoals het stralend witte licht bij de verschijningen van engelen.
Anderzijds zijn er soms details vermeld, die wegens hun concrete irrelevantie alleen kunnen stammen uit rechtstreekse waarneming. Het epileptische kind bij Marcus krijgt een crisis bij de ontmoeting met Jezus. En dat is een element waarin de deskundige onmiddellijk het ware karakter van die epileptische crisis erkent: zij wordt uitgelokt door een emotionele gebeurtenis zoals de confrontatie met een onbekende profeet.
Uit ervaring weet een deskundige welke elementen speciaal herinnerd en opnieuw vermeld worden door een echte getuige, en welke als ingebeeld moeten worden beschouwd. De zekerheid van dit inwendige criterium is weliswaar niet zo groot als de zekerheid van het uitwendige criterium der psychopathologie, toch laat het soms toe heel scherp onderscheid te maken tussen verscheidene verhalen. Men weze gewaarschuwd tegen een eigenaardige wijze van redeneren van bepaalde `geleerden', hetzij historici, hetzij medici. Zij gaan ervan uit dat de ons bewaarde tradities vrij laattijdig opgetekend werden, dat zij moeilijk te controleren zijn, en dat sommigen duidelijk behoren bij de mythologie. Op basis van dergelijke onzekere gegevens een diagnose opstellen lijkt zuivere onzin. En dus, zeggen ze, kan een diagnose geen enkele wetenschappelijke waarde hebben. Zij vergeten daarbij dat zij zelf uitgaan van een onbewezen en betwijfelbare stelling, namelijk dat alle gegevens in de bronnen onjuist en onbetrouwbaar zouden zijn. En vanuit dergelijke onbewezen stelling trekken zij hun conclusie. Met een dergelijke valse redenering kan men natuurlijk onwetende en onnozele lezers om de tuin leiden.
Want waar gaat het om? Ten eerste bewaart de traditie een aantal al dan niet betrouwbare gegevens, dat is een onomstootbaar feit. Ten tweede beschikt de moderne wetenschap over een grote informatie betreffende allerlei ziekten. Die informatie-elementen noemen we symptomen. Deze bundelen zich in syndromen. Als een arts een diagnose stelt, dan tracht hij doorheen de symptomen het syndroom te vinden dat onthult met welke ziekte hij te doen heeft. Tot onze verbazing stellen we nu vast, dat de feiten die de tradities ons overleveren nauwkeurig overeenkomen met de in de moderne wetenschap gekende symptomen en syndromen. Welnu als deze tradities zo exact de feiten schilderen, DAN ZIJN ZE OOK BETROUWBAAR. Het bewijs van hun betrouwbaarheid wordt geleverd door hun strikte overeenkomst met de moderne wetenschappelijke criteria. En op die betrouwbare gegevens kan men een diagnose vestigen. In de logica noemt men deze procedure inductie. Het is door inductie, die uitgaat van de feiten, dat de wetenschap opgebouwd wordt. (Meestal gebeurt dat niet door deductie die uitgaat van abstracte beginselen.)
We vertrekken dus van de zekerheden van de moderne wetenschap, die symptomen en syndromen kent als indiciën van ziekten. Vanuit dat zekere criterium beoordelen we de gegevens van de traditie, om vast te stellen dat ze volmaakt overeenkomen, en DUS betrouwbaar zijn. Gewapend met deze supplementaire criteria zullen we nu vragen tegemoet gaan als:
Wat bewoog Mohammed om te worden wat hij geworden is?
Welk psychisch proces heeft zich bij hem voltrokken en wat is de juiste aard van dat proces?
Mohammed is een figuur, tegenover wie men niet onverschillig blijft, ook niet als men geen Arabier is. Hij incarneert een Godsgeloof, een moraal, een levensbeschouwing, een brok cultuur, die enerzijds in het verlengde liggen van de joodse en de christelijke godsdienst en anderzijds er zich scherp van onderscheiden, en dat op essentiële punten. Men zal tevergeefs de verklaring zoeken van Mohammeds invloed in zijn leer : ook de joden kenden het monotheïsme, ook zij kenden de polygamie, joden en christenen bezaten heilige boeken, waaruit zij wijsheid putten, de christenen geloofden in een uiteindelijk laatste oordeel, in een hemel en een hel.
Het is slechts als Mohammed verklaart de engel Gabriël gezien te hebben, een openbaring gekregen te hebben en tot Profeet bevorderd geweest te zijn, dat er beweging en reactie komen in zijn volk.
Net als Jezus van Nazareth wordt hij in den beginne aangezien als een krankzinnige, bezeten door de duivel of door een djinn. Sommigen noemen hem een waarzegger of een tovenaar.
Meer nog: in het allereerste begin twijfelt Mohammed aan zichzelf en staat hij op het punt zelfmoord te plegen. Hij gelooft in de djinns en neemt aan dat zij die waan veroorzaken. Zoals Jezus in de woestijn maakt hij een crisis door. Zoals Jezus doorstaat hij deze crisis, herwint zijn zelfvertrouwen en predikt zijn uitverkiezing. Jezus predikt de komst van het Rijk Gods, want hij is de Mensenzoon, Mohammed predikt de openbaring van de koran, want hij is de Profeet. En dat was nieuw. Steeds weer zien we in de geschiedenis van de godsdienst dat er profeten opstaan, die beweren dat ze een zending gekregen hebben van God zelf : Abraham, Mozes, Isaja, Jeremia, Ezechiël, Daniël, Henoch, Jezus, Baruch, Ezra, Johannes, Mohammed en dichter bij ons Swedenborg, Smith, Lou de Palingboer en vele anderen.
Tegelijk groeit het besef dat voor een deel van deze `roepingen' een psychopathologische verklaring voor de hand ligt. Het is immers een vast gegeven van de psychopathologie dat de geestesziekte zich dikwijls manifesteert door de plotse openbaring aan de betrokkene van een wereldwijde roeping door God zelf. Deze kan gepaard gaan met visioenen, met het horen van stemmen, met het ontvangen van bevelen. Kortom, het is voor de betrokkene, maar ook voor diegenen, die hem omringen, een fantastische, sensationele belevenis. Om een voorbeeld te kiezen dat dichter bij ons ligt, Emmanuel Swedenborg (1688-1772), natuurvorser en technicus, krijgt op 57-jarige leeftijd hallucinaties en waanideeën. Hij vertelt over zijn omgang met engelen en geesten. "Het was mij toegelaten met engelen om te gaan en met hen te spreken van man tot man, en zo te zien wat er in de hemel en de hel is, en dat nu al dertien jaar; en wat ik gehoord en gezien heb is mij toegelaten te schrijven." Sinds 1736 beleeft Swedenborg visioenen in waaktoestand, sinds 1744 Christusvisioenen en in 1745 krijgt hij de overtuiging dat hij volledig verkeer heeft met de wereld der geesten. Hij wint meteen miljoenen volgelingen. Algemeen wordt hij door de wetenschappelijke wereld al spoedig als geesteszieke aangezien, meer bepaald als een paranoialijder.
Maar niet alle profeten worden zo vlug herkend als zieken. De boodschap van Henoch, de vermoedelijke Leraar der gerechtigheid voor de sekte der Essenen (÷ 100 voor Chr.), verschilde niet veel van die van Swedenborg. Ook hij mocht zien wat in de hemel en de hel gaande was, hij werd door engelen begeleid doorheen het heelal en had een ontmoeting met God, waarin hij vernam dat hijzelf de Uitverkorene was. Hij beleefde zichzelf als de Mensenzoon die alle bozen zal oordelen.
K. Jaspers, de psychopatholoog en fenomenoloog, beschreef heel nauwkeurig de typische belevenissen van dergelijke zieken: het zijn metafysische openbaringsprocessen met kosmische draagwijdte die zij ervaren. De zieken maken enorme revoluties mee. De hele geschiedenis van het mensdom wordt herbeleefd. De zieke speelt de hoofdrol, doorkruist het heelal, wordt belast met een immense taak.
Alle profeten zijn diep overtuigd van de belangrijkheid van hun zending. Allen zijn zij sensationeel, omdat zij fantastische openbaringen doen, die zij onmiddellijk van God ontvingen. Allen zijn zij egocentrisch. Mohammed en Jezus van Nazareth delen beiden in die sfeer. Beiden werden belast met een immense taak en een grote waardigheid, en dat door God zelf. Dat feit staat vast. Geen onderdeel van de traditie is te verklaren, indien we niet aanvaarden dat dergelijk geloof de basis was van hun gedrag. Dit is een eerste gegeven, dat we als historisch kunnen beschouwen en dat als basis kan gelden voor elk verder onderzoek. Zowel Mohammed als Jezus leven vanuit een overtuiging, de eerste dat hij de Profeet is van Allah, de andere dat Hij de Mensenzoon is, de Christus.
Tweede Hoofdstuk : De berooide wees
Mohammeds vader, Abdallah sterft nog voor de geboorte van zijn zoon. Zijn moeder besteedt de zuigeling uit aan een voedster. Dat was een gewoonte van welgestelden. Jonge vrouwen vrezen dat de borsten door het zogen te zeer zullen gaan hangen en hun aantrekkelijkheid verliezen. Ze laten dan de borstvoeding maar over aan een min.
De eerste dagen na zijn geboorte wordt Mohammed uitbesteed aan een slavin: Thuweiba. Daarna bij een stam in de woestijn met name de Banu Sa`d, waarvan men beweert dat kinderen daar een mooiere taal zullen leren en sterker worden.
Ons is het ontroerend verhaal bewaard van de uitbesteding van Mohammed. De vrouwen uit de omtrek van Mekka, op zoek naar een bijverdienste, kwamen blijkbaar samen op de markt. Het was een hard jaar. Halima en haar man waren zeer arm; zij voegden zich bij de groep die wachtten op klanten. Halima had tekort aan moedermelk, zelfs de kameel en de ezel waren slap en droog. Nu werd Mohammed aangeboden, maar de melding dat hij een wees was deed ze vrezen dat er niet of niet voldoende zou betaald worden. Men wilde Mohammed dus niet. Als echter bleek dat Halima geen andere baby kon krijgen, besloot ze toch maar Mohammed te aanvaarden.
En zie, de armoede verandert in welstand : Halima heeft nu overvloedig moedermelk, ook de kameel begint melk te geven, de ezel wordt sterk. Dit typisch naïeve verhaal zegt ons dat waarschijnlijk de vrees dat de moeder niet of te weinig zou betalen ongegrond is gebleken, dat ze integendeel ruim de min kon vergoeden, die daardoor haar armoede in welstand zag keren.
In de legendevorming nemen dieren ook de rol over van mensen; zoals de os en de ezel bij de kribbe van Jezus, zijn er de kameel en de ezel bij de uitbesteding van Mohammed.
In een ander verhaal krijgen we een interessante variante op dit fenomeen: na de verovering van Khaibar op de joden komt een jodin, met name Zainab, en biedt de Profeet een geroosterde geit als geschenk aan. Ze had op voorhand geïnformeerd welk deel van de geit door Mohammed verkozen werd, en dat was de voorpoot. Die had ze dan ook speciaal vergiftigd. Mohammed en zijn gezellen beginnen ervan te eten en Mohammed zou het voedsel uitgespuwd hebben. Maar één van de gezellen, met name Bishr, sterft eraan. Mohammed liet onmiddellijk de joodse ontbieden. Deze zei hem: "Ik wilde weten of gij een echte Profeet zijt. Allah zou u zeker gewaarschuwd hebben; zo niet zijt ge maar een leugenaar en dan is het volk door uw dood van u verlost...". Mohammed beval ze te doden. Maar in een andere versie begint de geit zelf te spreken om Mohammed te waarschuwen. Ze neemt dus een menselijke rol over.
In het eerste verhaal onderscheiden we duidelijk twee soorten gegevens: de wonderen waarin dieren een hoofdrol spelen en de zeer reële bekommernis dat een onbemiddelde wees weinig of niets opbrengt. We ontdekken derhalve een grond van waarheid in het verhaal. Mohammed werd als baby met moeite aanvaard, maar de vrees dat de min niet voldoende vergoed zou worden, bleek ongegrond.
Als Mohammed zes jaar oud was, verloor hij ook zijn moeder Amina. Hij was met haar op reis geweest naar Yathrib voor een bezoek aan zijn ooms. Op de terugweg stierf zij te Al-Abiva. Gedurende de twee volgende jaren was hij aangewezen op zijn grootvader, Abd al- Muttalib van het geslacht der Hashim, die hem graag zag. Als hij acht jaar was, stierf ook deze. Hij moest nu naar zijn oom, Abu Talib, die nooit een gelovige werd.
Dat Mohammed een wees was wordt door alle bronnen bevestigd. We kunnen daaruit enkele gevolgtrekkingen maken, die logisch en noodzakelijk zijn en belangrijk voor het begrip van zijn persoonlijkheid. Het is bekend dat Mohammed sterk gehecht bleef aan zijn eerste min. Tot aan haar dood bleef hij ze geschenken en klederen zenden.
Een pasgeboren kind maakt immers een imprinting-fenomeen mee: neurologisch vormt zich een beeld van de moeder, een binding met een object dat voedt en eerst verschijnt in het bewustzijn van het kind. Tegenover dat object vertoont het een groet- en een volgreflex. Dat is de neurologische moeder.
Voor Mohammed was dat duidelijk Thuweiba. We mogen veilig aannemen dat bij Mohammed een echte band is ontstaan met zijn allereerste min, terwijl een vaderbinding is open gebleven.
De dominantie van het vrouwelijke element bij afwezigheid van de vader, - nadien gaat Mohammed bij zijn moeder wonen, - ook op zijn relaties met zijn grootvader, is merkwaardig, want hij is volgens de traditie de vriendelijke jongen, de beminnelijke jongen, die dan ook de genegenheid ondervindt van zijn familie. Als wees blijft hij noodzakelijk de behoefte aan een vader voelen en die zoekt hij te voldoen bij zijn grootvader.
Raadselachtig is waarom hij zijn eigen vader in de hel zet. Getuigt dat niet van een verdrongen vijandigheid? Soms vindt men bij de weduwe een gevoel van vijandigheid tegen een overleden echtgenoot, omdat hij zijn gezin in de steek liet. Hij wordt schuldig geacht. Was dit het gevoel van Amina tegenover Abdallah, zijn vader, en deelde Mohammed dit? Het was toch niet alleen omdat zijn vader geen gelovige moslim was voor dat ook maar iemand sprak over de islam, dat zijn plaats in de hel was...
Mohammeds vaderbeeld is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Zijn genegenheid en bewondering gaat naar Abraham, die hij zijn vader noemt, en die zowat het spiegelbeeld is van zijn grootvader, die voor een deel bijgedragen had in de vorming van dat vaderimago. Een duidelijk milde grootvader heeft een warme ondertoon gegeven aan de beeldvorming van de Vader in de hemel. We kunnen dit zeggen omdat we later Allah die alomvattende rol zien vervullen.
Allah wordt alles wat de jonge Mohammed in zijn jeugd zo heeft gemist. Allah is een God, die almachtig en alwetend is, doch vergevensgezind en mild. Allah is goedertieren jegens de dienaren. Allah is vergevend en zachtmoedig.
Dezelfde rol zien we de Vader in de hemel vervullen bij Jezus van Nazareth. De onzekere vader-verhouding van Christus leidt hier ook tot een idealisering, tot de overtuiging zelfs de zoon te zijn van de Vader in de hemel.
Ook bij Mozes die een onzekere vaderverhouding kende, zien we het ontstaan van een godsbeeld als een vaderimago dat overeenkomt met de vroege belevenis van vaderlijke leegte. Mozes' godsbeeld is bijzonder hard.
Niet alleen zijn grootvader was een vaderlijke figuur, ook zijn oom kreeg vaderlijk gezag over hem. Ook deze ziet Mohammed in de hel. Was dit een onbewuste reactie tegen het gezag van zijn oom? Gedurende zijn jeugd was hij het arme neefje; hij zou zelfs een tijd herder zijn geweest en kwam waarschijnlijk op de tweede plaats na de kinderen van zijn beschermer. Mohammed verwijst Abu Talib naar de hel, ook al omdat hij ongelovig bleef.
Verwijt hij hem misschien bovendien zijn karig bezit als wees verteerd te hebben? Want ook die hoofdzonde, zoals we zullen zien, ziet hij in de hel bestraft.
Veel duidelijker nog is zijn reactie tegenover vrouwelijke figuren.
Hij bestrijdt uitdrukkelijk de godinnen. Allah is de enige God. Mohammed duldt geen machten naast Hem, zeker geen vrouwelijke. Koesterde hij eerder of ook wrok tegenover zijn moeder of de vrouw(en) van zijn oom? Verweet hij zijn moeder hem zo lang uitbesteed, praktisch verworpen en hem zo vroeg verlaten te hebben? Hij verbleef immers volle vijf jaar bij zijn pleegmoeder, bij zijn eigen moeder nauwelijks één.
Of werd hij enigszins verworpen door haar, misschien ook wel wegens die eigenaardige wrat tussen de schouders? Of was ook de vrouw (of waren de vrouwen) van zijn oom als stiefmoeder(s) weinig liefderijk?
Is Mohammed affectief op zijn honger gebleven? Is daarom Allah des te groter, des te belangrijker? Want duidelijk is Mohammed Allahs lieveling, zoals hij het eens was van zijn grootvader. Hij krijgt immers de opdracht de Boodschapper te zijn voor de Arabieren. Hij is de uitverkorene, de enige.
Nog een ander verhaal over de kleine Mohammed, verdient onze aandacht. Als hij twee tot drie jaar oud is, komt de pleegbroer aanrennen bij zijn moeder, - de kinderen waren achter de tenten aan het spelen, - en doet het volgende verhaal: twee mannen in het wit gekleed, hebben zich meester gemaakt van mijn broer, hem op de grond gegooid, zijn buik geopend en zijn hem aan het molesteren. De pleegouders liepen er naar toe, en vonden de kleine Mohammed helemaal bleek. Ze vroegen hem wat er gebeurd was en hij zei: "Twee mannen in wit gewaad kwamen, gooiden me om, openden mijn buik en zochten daarin naar iets, ik weet niet wat".
We zijn geneigd dit verhaal als historisch juist te aanvaarden. Het oorspronkelijke verhaal bewaart iets dat typisch is voor het kinderlijk ervaren van een seksueel spel. Een kind van twee tot drie jaar weet niet wat ouderen gaan zoeken in de buikregio. Het is zich nog totaal onbewust van het seksueel belang ervan. Het is dus ook verschrikt en verward als het plots geconfronteerd wordt met twee jongeren die van de gelegenheid gebruik maken om een kind te masturberen. Uit het verdere verloop van het verhaal blijkt dat ook de pleegouders niet onmiddellijk beseffen wat er precies gebeurd is, en denken dat er iets is met Mohammed.
Uit angst dat het met hem misloopt, brengen zij hem terug bij de moeder. Halima moet zelfs bekennen, dat ze vreest dat hij een duivel heeft. Maar de moeder stelt hun gerust. Zij zou een wonderlijk verhaaltje opgedist hebben over haar bevalling. (Ook Mohammed dist soms wonderlijke verhaaltjes op zoals zijn moeder).
Veel later vragen de leerlingen Mohammed om over zichzelf te vertellen. En ziehier het merkwaardige verhaal, dat hij hun voorschotelt: "Toen ik met mijn pleegbroer aan 't spelen was achter de tenten kwamen twee mannen tot mij in wit gewaad met een gouden bekken vol sneeuw. Ze grepen me en openden mijn buik, haalden mijn hart eruit en spleten het; dan haalden ze een zwart element eruit en gooiden het weg; daarna wasten zij mijn hart en mijn buik met die sneeuw totdat zij die grondig hadden zuiver gemaakt".
Blijkbaar is het voorval toch traumatiserend genoeg geweest, zodat het niet vergeten werd. Het trauma werd getransformeerd in een soort liturgie door engelen. Een purificatie-ritus moet het latente schuldbewustzijn wegwissen.
Weer vinden we hier twee reeksen elementen: de legendarische : engelen in wit gewaad met een gouden bekken vol sneeuw, het reinigen en wit wassen van het hart, en de werkelijke: een klein kind, dat niet weet wat de overvallers in de buikregio zoeken, maar totaal verward is wegens deze onverwachte en onbegrepen ervaring.
Er bestaat nog een verhaal, waarin een purificatie- element voorkomt. Mohammed vertelt: "Deze nacht zijn twee personen bij mij gekomen, en nadat ze mij wakker hadden gemaakt, hebben ze mij geleid naar een stad opgebouwd uit gouden en zilveren stenen. Onderweg kwamen we mannen tegen, waarvan de helft van het lichaam zo mooi was als ge maar kunt uitdenken, en de andere helft zo lelijk als mogelijk. Mijn gezellen zegden hun: `Gaat u in de rivier gooien'. Zij deden het en kwamen bij ons terug volkomen ontdaan van al het lelijke, zodat ze zeer mooi geworden waren. `Dit is nu de hof van Eden', zegden mijn gezellen, `en het is daar dat ge zult wonen. De mannen waarvan de ene helft mooi en de andere lelijk was, dat zijn diegenen die tegelijk een goede en een slechte daad begingen en aan wie Allah vergeven heeft'".
Een ander verhaal over de jonge Mohammed kunnen we evenmin negeren.
Toen hij twaalf jaar oud was, zou hij met zijn oom Abu Talib een reis ondernomen hebben naar Syrie. Daar zou hij in contact gekomen zijn met een monnik genaamd Bahira. Deze voorspelde dat Mohammed een groot profeet zou worden.
Er is ook sprake van een tweede reis toen Mohammed al volwassen was, waarop hij de monnik Nastur zou ontmoet hebben, die eveneens zulke voorspellingen deed.
Mogelijk zijn deze verhalen niet veel meer dan propaganda bij de christenen, opdat zij, daarin aangemoedigd door uitspraken van christelijke monniken, de islam zouden omhelzen en Mohammed als Profeet erkennen.
In het evangelie vinden we hetzelfde procédé: bij de opdracht van Jezus in de tempel is het de oude Simeon die de profetie voorbrengt: "Zie, dit kind is bestemd tot val en opstanding van velen..."
Wij hebben de indruk dat het verhaal van de profetie van de christelijke monnik wel eens geïnspireerd zou kunnen zijn door het evangelie. Temeer daar we in de traditie nog andere gelijkenissen vinden.
Aan Mohammed wordt bijv. ook een brood- en een dadelvermenigvuldiging toegeschreven, en ook allerlei voorspellingen.
Dat deze wonderen niet historisch zijn, maakt Mohammed zelf duidelijk. In tegenstelling met Jezus kon hij geen wonderen doen en beschikte hij over geen buitennatuurlijke gaven.
Toch lijkt er een grond van waarheid aan de basis te liggen van het verhaal over de broodvermenigvuldiging. Om Yathrib later te verdedigen tegen het leger van de Mekkanen had men besloten een verdedigingsgracht te graven. Het verhaal speelt zich af tijdens die werken. Een vrouw bracht gerstedeeg aan voor de Profeet. Die spuwde erop; hij zegende daarna het deeg, en zich begevend naar de ketel (met vlees) spuwde hij er eveneens in, en na hem gezegend te hebben, zegde hij: "Roep een bakkerin om er samen met mij brood van te maken, en neem het kooksel uit de ketel zonder hem van het vuur te nemen". Er waren daar wel duizend man, en zij allen aten tot ze voldaan waren.
Nu moet men weten, dat Mohammed in het vooruitzicht van de aankomst van de Mekkanen ervoor gezorgd had de hele oogst binnen te halen, zodat de Mekkanen geen voeder hadden voor hun paarden en kamelen, en geen voedsel voor hun manschappen. Hij had dus voorraden, die hij kon aanspreken en daarmee een soort mirakel simuleren.
Het verhaal over de tweede reis met de ontmoeting van de monnik Nastur (Nastur is een andere vorm voor Nestorius) schijnt ook als doel te hebben de christenen dichterbij te brengen. Mohammed kon niet aannemen dat Jezus Gods zoon zou zijn, want dan kon hij geen Profeet meer zijn die Jezus in de schaduw zou stellen. Mohammed verklaart dus dat Allah geen zoon heeft, en dat Jezus een gewone profeet is zoals Abraham en Mozes.
Hij had dus minder moeilijkheden met de christelijke ketterij van het Arianisme, dat de goddelijke natuur in Jezus ontkende. Oost-Syrie was evenwel de bakermat van het Nestorianisme en Nestorius loochende eerder Jezus' menselijke natuur.
Als Mohammed contact heeft gehad met christelijke monniken in Syrie waren dat waarschijnlijk Nestorianen. En dan is het betekenisvol dat juist een monnik Nestorius, een Nestoriaan, voorspelt dat Mohammed een groot Profeet zal worden. Als er een grond van waarheid onder dit verhaal zit, dan is het dat er ooit een contact is geweest tussen een Nestoriaanse monnik en Mohammed. Het mythologische deel van het verhaal is dan, dat die monnik voorspelt dat Mohammed een groot Profeet zal worden.
Het is zeker dat Mohammed ook bij de christenen, net zoals bij de joden, naar aansluiting heeft gezocht. Hij is daar duidelijk op veel minder openlijke afwijzing gestoten. Daar getuigt hij van in de koran. Hij zegt daar uitdrukkelijk dat christenen hem gunstiger gezind zijn omdat deze priesters en monniken hebben, die zich niet verhovaardigen.
Hieruit kan blijken dat Mohammed spreekt uit persoonlijke ervaring.
Wij kunnen veilig besluiten dat hij inderdaad contacten had met christelijke monniken en priesters, maar toevallig viel op Nestorianen, die hem vriendelijk bejegenden.
Derde Hoofdstuk : Mohammed en zijn vrouwen
Opgegroeid in een relatief mild milieu, wordt de volwassene Mohammed een beheerste man, zonder wilde passies en met een nuchter karakter. Liefdesavonturen kent hij niet. Hij is religieus uit traditie en meditatief van nature. Tegelijk leert hij ook het koopmansleven. Hij wordt de betrouwbare genoemd: `al amin'.
Niets schijnt hem te bestemmen voor de rol die hij later gaat spelen. Mekka was van ouds een religieus centrum. Er waren de bedevaarten van heidense oorsprong trouwens, en er was de Ka`ba, het huis van Allah, met de zwarte steen, die door de moslims wordt gekust.
Er waren de afbeeldingen van verschillende godheden. Er waren ook christenen in Mekka, voornamelijk slaven.
Door toedoen van zijn familie komt hij in contact met een rijkere weduwe, die een zaakvoerder zocht. Het komt tot een echte relatie. Mohammed huwt de weduwe en verwekt bij haar kinderen. Niets is meer gewoon dan het leven van Mohammed.
En toch... Elk jaar gaat hij in afzondering bidden, een hele maand lang.
Dat wijst op een probleem. Wat zoekt hij juist? Welk gemis wil Mohammed compenseren?
Blijft er al die tijd geen grote leegte in Mohammeds geest: zijn behoefte aan een echte vaderlijke figuur?
Het komt voor dat bij kinderen waar de vaderverhouding problematisch of gestoord is, er een godsdienstig probleem ontstaat. Het Godsbeeld van de Vader in de hemel gaat de plaats innemen van het ontbrekende vaderimago. Bij wezen is het typisch dat het vaderimago geïdealiseerd wordt: die vader is volmaakt en heeft geen gebreken.
Bij Mohammed is het Allah die een absoluut dominerende plaats gaat innemen in zijn bewustzijn. Allah is gewoon alles. Hij is de ideale vader die alles kan, die alles weet, die barmhartig en liefdevol is. Natuurlijk is Hij ook de vertegenwoordiger van het gezag. De bozen zal Hij straffen. Maar voor de gelovigen is Hij goed, die helpt Hij.
Affectief is Mohammed duidelijk het slachtoffer van voortdurende pech. Eenmaal gehuwd, verliest hij één na één al zijn kinderen behalve zijn dochter Fatima.
(Hij had namelijk vier dochters, Zainab, Ruqaija, Umm Kulthum, Fatima en enkele zonen (één of twee of meer?) Qasim, Lahab, Usman, Abdallah, Ibrahim, Manaf die alle stierven als kind..
Als we weten hoe belangrijk het voor mannen in het Midden-Oosten is om mannelijke afstammelingen te hebben, - was dat gemis ook niet het trauma dat Abraham in een crisis stortte? - dan kunnen we bevroeden dat ook Mohammed niet ongevoelig is gebleven voor deze reeks tegenslagen.
Is het daarom dat Mohammed zich bijzonder verwant voelt met Abraham? "Ik heb nooit een man gezien die meer op mij lijkt dan Abraham", zei hij. Hij adopteert derhalve een slaaf, Zaid. Maar die sneuvelt op zijn beurt in de slag bij Muta. Daarom is hij ook bijzonder blij als hij later (maart 630) van Mariya, de Koptische slavin, een zoontje Ibrahim krijgt dat echter spoedig zal sterven. Nu was hij `abtar', dus zonder mannelijke nakomelingen.
Van zijn geboorte af tot diep in zijn volwassenheid kent Mohammed slechts rouw, een bijzonder ingrijpende rouw: hij verloor al te vroeg zijn vader, nadien zijn moeder, grootvader, zijn vrouw, mannelijke kinderen en later ook zijn dochters. Kunnen we op die manier het verbod van Mohammed nog pasgeboren meisjes levend te begraven, zoals bij de Arabieren gebruikelijk was, niet begrijpen en ook zijn wanhopig streven naar steeds meer vrouwen met als doel tenslotte toch een mannelijke nakomeling te krijgen?
Deze frustrerende rouw wordt enigszins verzacht door de diepe genegenheid van de familie, van de echtgenote, van de latere bijwijven.
Ook het vroege wegvallen van de moeder en de complexe moederbinding (met de echte, de min en de pleegmoeder) kunnen bij Mohammed een onzekerheid veroorzaakt hebben, tot in de partnerkeuze toe. Zijn vrouw is geen jonge maagd. Khadidja was een weduwe, die wat ouder was, - hoeveel is onduidelijk. Ze zou volgens sommigen op het ogenblik van het huwelijk zowat veertig jaar geweest zijn. Zij was dus ongeveer vijftien jaar ouder dan Mohammed. Reeds tweemaal gehuwd en met twee zonen uit het eerste en een dochter uit het tweede huwelijk, was zij dus eerder een moeder- of zelfs een tantefiguur. Zij was ook financieel dominant en kon haar voorwaarden opleggen. Zij steunde Mohammed en geloofde in hem. Mohammed was haar dan ook zeer trouw.
De traditie bewaart een pikante geschiedenis omtrent het huwelijk van Mohammed. Om haar vader zo ver te krijgen haar aan Mohammed ten huwelijk te geven, maakte zij hem dronken en maakte hem daarna wijs, dat hij haar hand had gegeven aan Mohammed.
Na de dood van zijn vrouw (619) komt Mohammed niet meer tot een exclusieve verhouding.
Onmiddellijk na de dood van Khadidja (619) is er een keerpunt in Mohammeds seksuele leven. Hij wordt polygaam en neemt praktisch elk jaar een vrouw bij.
In het beginstadium van zijn prediking voert hij oppositie tegen de godinnen; hij is hun vijand. Nu wordt hij een liefhebber van vrouwen. Als een verslaafde schijnt hij seksueel onverzadigbaar.
Mohammed huwt eerst Sauda bint Zamaa, weerom een weduwe, zowat dertig jaar oud, weinig elegant, doch geschikt als huishoudster en mogelijk eerst gekozen als een vervangster voor de oudere Khadidja.
Kort daarna huwt hij de dochters van zijn twee belangrijkste luitenanten: Abu Bakr en Umar. In 623 huwt Mohammed Aisha, een kind nog, en zijn enige maagdelijke bruid, dochter van Abu Bakr. Ze was zes jaar als ze hem als zijn vrouw werd toegewezen; hij voltrok het huwelijk als ze negen jaar oud was. Haar speelgoed mocht ze meenemen.
Men zou kunnen vermoeden dat de levendige en aantrekkelijke Aisha eigenlijk de plaats inneemt van één van zijn eigen kinderen, dat overleed of ontgoochelde. Zij is affectief meer een dochter dan een echtgenote. Bij de dood van Mohammed was ze achttien jaar.
Tijdens zijn korte ziekte (13 dagen) was zij het die hem verpleegde. In haar armen stierf hij. Onder haar huis werd hij begraven.
Hafsa, de dochter van Umar, had haar echtgenoot verloren in de veldslag te Badr. Haar vader bood haar de profeet aan. Het huwelijk is hier ook een vorm van sociale verantwoordelijkheid: de Profeet zorgt voor de vrouwen van gevallen of overleden verdienstelijke medestanders.
Voor het overige zijn alle volgende vrouwen jonge weduwen, die ook enigszins de rol van moederfiguur konden spelen. Zijn moeder was namelijk erg jong toen ze stierf. Dus zijn moederbeeld is dat van een jonge vrouw, die ofwel maar vluchtig in zijn bestaan komt, ofwel z'n bestaan deelt met vreemden.
Het is of hij continu op zoek is naar een nieuwe of echte moeder. Hafsa huwt hij in 625; in 't zelfde jaar wordt ook Zainab bint Khutaima zijn vrouw.
Zij was reeds tweemaal weduwe en zal enkele maanden nadien overlijden.
De zesde was Umm Salama.
Al deze vrouwen zijn verwanten van medestanders van Mohammed; sommigen hadden hun man verloren. Het lijkt erop dat hij daarmee hun verlies wil compenseren.
De zevende was echter zijn nicht Zainab, die Mohammed huwde na haar echtscheiding met zijn geadopteerde zoon Zaid.
Mogelijk was Zainab niet zo gelukkig met Zaid, die eens Khadidja's slaaf was geweest en door haar aan Mohammed werd geschonken, en was het huwelijk met Mohammed een middel om haar tevreden te stellen. Toch was er wel een schandaal. Mohammed zou toevallig bij haar binnengelopen zijn en haar halfnaakt hebben gezien. Op slag begeerde hij haar. Hij zou gemompeld hebben: "Geloofd zij Allah, die de harten doet omslaan". Hij zou Zaid overtuigd hebben om van Zainab te scheiden. Dat zou samen met de slechte verhouding tussen beide echtgenoten, de aanleiding geweest zijn voor het huwelijk.
De achtste was Raihana, een joodse, die hij in 627 verwierf.
Zij verkoos slavin te blijven en bleef haar joodse godsdienst trouw.
De negende, Juwairiya, uit de stam van de Banu Mustaliq, nog een krijgsgevangene, huwde hij in 628. Zij was 20 jaar.
Hetzelfde jaar ontmoette hij Umm Habeiba, die uit Abessinië kwam na de dood van haar echtgenoot. Zij was de dochter van Abu Sufyan, de grote en machtige tegenstrever van Mohammed te Mekka. Zij was gehuwd met een gelovige moslim en met hem naar Abessinië uitgeweken.
Dan volgen Safiya, een vrouw van het hoofd van de Kurayza-joden, die gedood werd door de moslims. Dezelfde dag dat haar echtgenoot gedood werd, werd ze verplicht met Mohammed te slapen en zijn vrouw te worden. Zij was één der Banu Nadir die verdreven werden uit Yathrib en zich vestigden te Khaibar. Bij de inname van deze oase werd ze gevangen genomen en aan Dinya gegeven. Mohammed zag haar en was getroffen door haar schoonheid. Hij gooide zijn mantel over haar, om daarmee te zeggen dat hij ze voor zich reserveerde. Hij kocht ze vrij voor zeven stuks vee.
Haar man liet hij wreed ombrengen, omdat die weigerde de schatten van de Kurayza aan Mohammed over te dragen.
Aisha en de andere vrouwen waren aanvankelijk jaloers op haar, ook wegens de al te haastige bruiloft. Zij werd een vriendin van zijn dochter Fatima. Zij stierf in het jaar 50 of 52 en liet een erfenis na van 100.000 dirhams.
Maimoena, schoonzuster van Abbas, een oom van Mohammed, huwde hij in 629 ten tijde van zijn bezoek aan Mekka,
en tenslotte was er nog de mooie Mariya, een Koptische slavin, cadeau gezonden door de Egyptische Patriarch Cyrus Mukawkis, gouverneur van Alexandrië, nadat hij een brief ontvangen had van Mohammed (627).
In 632 sterft hij.
De koran, die het aantal vrouwen voor alle moslims tot vier beperkt, maakt voor de Profeet een uitzondering. Alleen deze geniet van het voorrecht meer dan vier vrouwen te mogen hebben. En daarmee bewijst de koran dat de inspiraties van Mohammed, vooral in de latere periode, beantwoordden aan zijn noden en zijn verwachtingen, namelijk zijn nood een mannelijke opvolger te verwekken en de voldoening van zijn seksuele drang.
Zelfs Aisha merkt dat op: "Ik heb de indruk dat uw Heer haast maakt om uw verlangens te voldoen!" zegt ze aan Mohammed.
Dat is ook het geval bij zijn huwelijk met de vrouw van zijn geadopteerde zoon. Een openbaring verzekert hem: "Toen nu Zaid het vereiste aan haar (Zainab) voltrokken had, hebben Wij u haar tot echtgenote gegeven, opdat er voor de gelovigen geen belemmering zou zijn ten aanzien van de echtgenoten van hun aangenomen zoons... Er was geen belemmering voor de profeet ten aanzien van wat Allah hem had toegewezen..."
Voor zijn dochter Fatima toont Mohammed slechts weinig interesse. Zij was een ziekelijke, triestige verschijning. Ze had een zwakke constitutie, ze was mager, had een anemische kleur, was dikwijls ziek en was ongeschikt voor het harde labeur dat aan de Arabische vrouw werd opgelegd. Ze was droefgeestig en weende vaak; ze was niet erg intelligent.
Als Mohammed haar uithuwelijkt, - ze was lang niet mooi, in tegenstelling tot haar zuster Ruqaija - kiest hij voor haar een domme, arme, luie en lelijke echtgenoot, Ali, die als enige verdienste had reeds lang moslim te zijn. Een bruidsschat krijgt ze niet mee.
In Yathrib valt Fatima Mohammed voortdurend lastig om van hem materiële en morele steun te krijgen, omdat ze niet overeenkomt met de luie en domme Ali, en soms honger lijdt. Maar de Profeet wijst alles af en zegt koudweg, dat ze maar moet gehoorzamen aan haar man. Hij vertrouwt Ali ook geen functie met enige verantwoordelijkheid toe.
Dat alles staat in schrille tegenstelling met zijn gedrag tegenover Aisha, zijn liefste vrouw, en haar vader Abu Bakr, die door de plundertochten een rijk man wordt.
Fatima is duidelijk de dochter die ontgoochelt en Aisha neemt haar plaats in.
De Profeet wordt meermaals uitgenodigd in rijkere gezinnen. Hij laat zich dan steeds vergezellen door Aisha. Fatima laat hij volkomen terzijde.
Daarom is het ook Fatima, die door de andere vrouwen gedelegeerd wordt om Mohammed te vragen Aisha minder te bevoordelen. Wanneer Fatima zich door Mohammed laat afschepen, zenden ze daarna nog Zainab.
Maar er is meer: hij is ondertussen door de rooftochten rijker geworden en kan zich meer veroorloven. Op het einde van zijn leven is Mohammed, eigenaar van grote domeinen in Yathrib, Khaibar, Fadak, Wadi'l- Kura;
Hij heeft meer gezag verworven. Hij is de Heer van Yathrib, nu Medina geworden. Yathrib werd naar hem genoemd: `Madinah an-Nabi' (de stad van de Profeet). Hij heeft een spreekgestoelte, dat meer op een troon gelijkt en waarbij een gewapende wacht postvat. Hij heeft een soort scepter.
Hij en zijn luitenanten beschikken nu ook over een rijke voorraad dure klederen uit Syrië en Egypte. Hij gaat gekleed in 't rood, soms in geel en groen, ook als hij langs de bazars kuiert, hij bezit een purperen tent, doch vooral het bezit van de vele vrouwen is een teken van zijn macht.
Dat stelt soms ook problemen. Sommigen van zijn volgelingen kregen als buit wel eens vrouwelijke krijgsgevangenen te pakken. Ze verlangden de vrouwen, doch ze wilden er tegelijk losgeld voor krijgen. Toen vroegen ze Mohammed wat hij dacht van de coïtus interruptus in dat geval. Mohammed antwoordde dat het weinig uitmaakt. Want elke ziel die geboren moet worden voor de dag van de Verrijzenis zal toch geboren worden.
Overigens is hij vol begrip. De getrouwheid van de vrouwen wordt wel eens op de proef gesteld bij de lange afwezigheden van de krijgers. Om deze laatsten verrassingen te besparen wordt het ze verboden al te onverwacht thuis te komen. Bovendien heeft hijzelf de smaak te pakken. Hij bekent: "Ik houd boven alles van vrouwen en reukwerk, alhoewel mijn oogappel het gebed is".
Aisha vertelt hoe hij zich gedroeg als zij haar maandstonden had: dan kamde zij zijn haren, terwijl hij met zijn hoofd op haar schoot lag, en hij streelde haar en reciteerde de koran.
Uit zijn praktijk stamt ook de regel, dat men met een nieuwe vrouw, als ze maagd is, vooraleer naar de anderen te gaan, zeven dagen mag samenblijven en met een weduwe drie dagen.
Er wordt gezegd dat hij gewoon was in één ronde, nacht en dag, al zijn vrouwen een bezoek te brengen. Voor de eigenlijke geslachtsbetrekkingen gold een beurtrol. Zijn gezellen zeiden van hem, dat hij de kracht had van veertig man.
Tegen het einde van zijn leven kreeg hij echter moeilijkheden.
Opmerkelijk is dat hij bij Khadidja kinderen had, terwijl hij, alhoewel hij seksueel zeer actief is, kinderloos blijft bij al die andere vrouwen, die nochtans kinderen konden krijgen.
Alleen bij Mariya lukt het hem een zoontje te verwekken.
De vruchtbaarheid van de vrouw hangt niet alleen af van de man, doch ook van de vrouw. De vraag mag dus gesteld worden: wensten de bijwijven van Mohammed wel kinderen van hem? De meesten waren weduwen. Sommigen hadden geen kinderen van hun vroegere echtgenoten, anderen zoals Umm Salama hadden er verscheidene.
Een ander detail is misschien ook belangrijk: onmiddellijk na de geslachtsbetrekkingen waste Mohammed zich helemaal, maar ook zijn vrouw Aisha bekent dat zij een spoeling toepaste; waarschijnlijk deden de andere vrouwen dat ook.
Toch is het mogelijk dat zijn vruchtbaarheid sterk afgenomen was: Mohammed stond onder grote stress. De voortdurende strijd tegen de Mekkanen, tegen de joden, de beleidsbekommernissen binnen zijn eigen gemeenschap waar Uitgewekenen en Helpers niet altijd harmonisch samenleefden, de moeilijkheden met de `huichelaars, de intriges binnen de harem waar Umm Salama, Hafsa, en Aisha polarisatiepolen vormden, terwijl Fatima zeer ontevreden bleef, konden zijn vruchtbaarheid verminderen. De talrijke vrouwen bezorgden Mohammed zeker ook kopzorgen. Over Aisha bijv. weten we meer. In het begin van zijn huwelijk komt Mohammed met de kleine Aisha spelen als met het kind, dat zij eigenlijk was.
Later ontstaat er een groot schandaal. Mohammed houdt telkens een loting om te bepalen welke vrouw hem mag vergezellen op zijn tochten. De vrouwen volgden gewoonlijk zingend de legers en verzorgden de gewonde krijgers.
Bij de terugkeer van een tocht tegen de Banu Mustaliq, waar Mohammed pas Juwairiya, een nieuwe vrouw, een gevangene, verwierf, was Aisha uitgeloot. Maar door een misverstand wordt alleen haar draagstoel (howdah) op de kameel gebonden zonder haar; ze had die namelijk even verlaten voor een dringende behoefte; ze had daarbij een parelsnoer verloren, dat ze was gaan zoeken. Toen ze terugkwam was de karavaan al vertrokken, want de dienaren dachten dat ze in de howdah zat en hadden de kameel gezadeld.
Aisha hulde zich in haar mantel en bleef daar liggen, bij zichzelf zeggende, dat men haar wel zou missen en haar zou komen ophalen. Nu lag ze daar nog maar net als Safwan, die even achtergebleven was en de nacht niet bij de troepen had doorgebracht, er voorbijkwam.
Hij zag haar en was verbaasd. Hij bracht haar zijn kameel en zei haar te rijden, terwijl hij volgde. Men miste Aisha pas de volgende morgen in Medina.
Het leger was echter zwaar geërgerd en vooral de zogenaamde huichelaars, de munafiqun met aan het hoofd Abdallah ben Ubayy. Die maakten het Mohammed lastig.
Aisha kende Safwan al van vroeger en er werd gefluisterd, dat deze ontmoeting niet de eerste was. Zelfs de hofdichter Hassan maakte vervelende toespelingen. Het schandaal sleepte weken aan en werd zeer ernstig.
Aisha keerde terug bij haar ouders, die ook niet helemaal overtuigd waren van haar onschuld, maar haar toch steunden. Mohammed gedroeg zich stroef tegenover haar, ook al was ze ondertussen ziek geworden. Hij stelde een onderzoek in, ondervroeg daartoe eerst Usama, de zoon van zijn aangenomen zoon Zaid, dan Barira, de negermeid, en vooral Zainab, een concurrente van Aisha, maar als ze allen eenstemmig goed spraken over Aisha, - Aisha zal Zainab levenslang dankbaar blijven - begon Mohammed ook te twijfelen aan haar schuld.
Aisha keerde daarna terug naar het huis bij Mohammed. Deze zei haar dat Allah wel zou uitmaken of ze schuldig was of niet. Na een tijd krijgt hij dan ook een openbaring, die Aisha's onschuld reveleert. Daarop geeft hij het bevel de lasteraars met tachtig geselslagen te straffen.
Ofwel was het een gewoon misverstand dat binnen de bekrompen sfeer een grote weerklank had, ofwel was Aisha niet zo onschuldig als ze beweerde, ofwel was Aisha gekwetst en jaloers, omdat Mohammed weer een nieuwe vrouw had gehuwd en uitte ze die jaloersheid door met Safwan publiek te verschijnen.
Aisha bekende trouwens ook, wel eens jaloers geweest te zijn op Khadidja, over wie Mohammed steeds met veel lof sprak.
De inspiratie van Mohammed anderzijds is mooi geakteerd: hij is gehuld in zijn mantel, een leren kussen wordt onder zijn hoofd gelegd. Als hij weer recht komt, wist hij de zweetdruppels van zijn wenkbrauwen en verklaart: "Goed nieuws, Aisha. Allah heeft uw onschuld bevestigd".
Aisha was de geliefde vrouw van Mohammed. Hij hield blijkbaar te veel van haar om ze zomaar wegens ontrouw te veroordelen. Om het schandaal bij de troepen te doven, was er geen betere wijze dan een goddelijke bevestiging van haar onschuld door een openbaring aan de Profeet voor te wenden.
Het verhaal laat niet toe met zekerheid te bepalen of Aisha schuldig was of niet, en in welke mate, al lijkt het waarschijnlijk dat de jonge Aisha wel gevoelig was voor een jongere minnaar. Aangezien Aisha hem meer een dochter was dan een echtgenote, kon Mohammed overtuigd worden van haar relatieve onschuld, al was de situatie compromitterend en waren de uitvluchten verdacht. Het verhaal van het halssnoer lijkt op een verzinsel om het wachten op de minnaar te verklaren. Nog moeilijker is het om te geloven dat dienaren niet merken dat er geen vrouw in de `howdah' zit, als die erin moest zitten. Het maakt zo'n dertig tot vijftig kilo verschil uit. Vandaar dat we geneigd zijn Aisha van simulatie te beschuldigen. Ze gaf blijkbaar instructies aan de dienaren toch maar te vertrekken zonder haar, gekwetst als ze was door de concurrentie van een nieuwe vrouw in de genegenheid van de Profeet. Dat is ook een natuurlijke reactie bij vrouwen die hun man verdenken. Wanneer ze zich vertoont in het gezelschap van de jongere Safwan, is het schandaal compleet. Het loopt haast uit de hand. Het verhaal schildert een meisje, dat in de grootste verlegenheid verkeert, omdat ze betrapt is in het gezelschap van een andere man, die zogezegd toevallig voorbijkwam, maar bovendien volledig verrast werd door het immense schandaal dat zij verwekte.
Mohammed zelf wil blijkbaar ook geen geroddel over zijn vrouwen. En het uitlekken van de mogelijke relatie was zo al erg genoeg, zodat Safwan zich niet meer kon vertonen in de omgeving van Aisha. Niet lang daarna vond hij trouwens de dood.
Sindsdien mocht Aisha de Profeet niet meer vergezellen op zijn tochten; in haar plaats kwam Umm Salama.
Ali, de echtgenoot van Fatima, werd ermee belast een oogje in 't zeil te houden. Aisha moest onberispelijk zijn. De Profeet zelf gaat er trouwens ook prat op nooit een vrouw aangeraakt te hebben, die de zijne niet was.
Omdat Mohammed nogal achterdochtig was omtrent zijn mooie jonge vrouwen en erg voorzichtig, werden contacten met vooral jongere mannen erg beteugeld.
Oorspronkelijk uitsluitend voor de vrouwen van de Profeet, werd door Mohammed de `afsluiting' of `gordijn' of `sluier' of speciale `afgesloten huisvesting' (( hidjab) ingevoerd, die Kasim Amin (1899) "de gemeenste vorm van slavernij" noemde .
Het was bij zijn huwelijk met Zainab bint Djahch dat hij de gelovigen een maal liet opdienen. Toen het afgelopen was, bleven nog drie personen in de kamer zitten, terwijl de Profeet al met zijn nieuwe vrouw gemeenschap had gehad. Hij kwam weer binnen en ging eerst naar Aisha, en daarna naar zijn andere vrouwen die hem telkens geluk wensten. De achtergebleven gelovigen maakten zich vlug uit de voeten. Toen kwam het vers van de koran dat getuigde van het verlangen naar privacy van de profeet.
Mohammed is erg preuts of voorzichtig bij maaltijden waar genodigden komen. "O gij die gelooft, treedt niet de huizen van de profeet binnen, tenzij dat u verlof gegeven is, voor een maaltijd, zonder de tijd daarvoor af te wachten. Maar wanneer ge genodigd zijt, treedt dan binnen; en wanneer ge gemaaltijd hebt, verspreidt u dan, zonder u in onderling gesprek te begeven. En wanneer ge één van de vrouwen om een gebruiksding vraagt, zo vraag ze het van achter een afscheiding." Dat doet iedereen denken aan de gebruikelijke gordijnen en afsluitingen