![]() |
home FFI-international: Engels FFI-international Forum
|
De islamitische strijd tegen het kwaad - Deel 4 - Hans Jansen
De islamitische strijd tegen het kwaad - Deel 4 - Hans Jansen Het jargon van de islam gebruikt met regelmaat twee technische termen in de discussie over het kwaad. Die termen zijn oorspronkelijk Arabisch, maar in alle talen die door moslims gesproken worden, zoals het Turks, het Perzisch, het Urdu, het Swahili enzovoort, zijn deze termen overgenomen. Uiteraard hebben deze twee woorden een uitgebreide betekenisontwikkeling doorgemaakt. Het gaat hier in de eerste plaats om fitna, van oorsprong ‘beproeving’, en in de tweede plaats om jahiliyya, van oorsprong ‘[periode of toestand van] onwetendheid’. Iedere normale ontwikkelde lezer heeft een hekel aan afkortingen en obscure technische termen in vreemde talen. Hoe redelijk die afkeer ook is, elke godsdienst en elk filosofisch of ideologisch systeem heeft zijn eigen vocabulair ontwikkeld, daar is nu eenmaal weinig aan te doen. Wie zo’n systeem wil begrijpen, kan er niet omheen zich enige kennis eigen te maken van het specifieke jargon dat door zo’n systeem in het leven is geroepen. Het lijkt voor een buitenstaander misschien wat veel gevraagd, maar voor een scherp begrip is kennis van zulk jargon nu eenmaal nodig. Dat de talen die door moslims gesproken worden, allemaal deze twee woorden hebben overgenomen, geeft wel aan hoe belangrijk deze beide woorden zijn. Ook de VVD-politica Ayaan Hirsi Ali kon toen haar in de televisie-uitzending ‘Zomergasten’ van 29 augustus 2004 gevraagd werd naar haar islamitische achtergrond, niet om het gebruik van deze twee woorden heen. Fitna betekent volgens de antieke Arabische woordenboeken oorspronkelijk het in het vuur verhitten van goud en zilver om het zodoende op echtheid te toetsen. Vandaar dat de Koran (51:14) sarcastisch de ongelovigen die in de vuursoep van de hel gepijnigd worden, toeroept dat zij hun fitna nu eindelijk eens kunnen proeven. De tweede betekenis van fitna klinkt daar tegelijkertijd al doorheen want ‘godsdienstige dissidentie’, ‘burgeroorlog’, ‘twist’, ‘schisma’, en ‘opstandigheid tegen het wettig gezag van de islam’ zijn de verder afgeleide betekenissen. De grondbetekenis blijft ‘beproeving’, vandaar dat ook vrouwen een fitna kunnen worden genoemd, een test van de vrome vastbeslotenheid van de kuise gelovige. Ook de ‘tekenen van de Laatste Dag’ worden fitan (het meervoud van fitna) genoemd. Door de rampen en de gruwelijkheden die het Laatste Uur inluiden, worden de gelovigen immers beproefd. De reeks burgeroorlogen die de moslims gevoerd hebben over de vraag ‘Wie moet er Kalief worden’ na de moord in 656 op Kalief Uthman wordt traditioneel aangeduid als ‘de Fitna’. Eigenlijk wordt fitna gebruikt voor alle perioden van politieke chaos en onzekerheid. Op die manier is het woord onherroepelijk in de sfeer van de politiek en machtsuitoefening getrokken. Een van de ergste vormen van fitna is polytheïsme, te geloven dat er meer Goden zijn dan alleen de God die hemel en aarde geschapen heeft. Keer op keer keert de Koran zich tegen het geloof in het bestaan van meer dan een God. Voor de ware gelovigen zijn meergodendom en atheïsme een acuut gevaar. Gevaren moeten bestreden worden. Fitna, leert de Koran in vers 2:191, is erger dan moord. Met andere woorden, zoals moord met weerwraak bestraft wordt, zo moet ook fitna met weerwraak bestraft worden, oftewel ter bestrijding van fitna is moord toegestaan. Dit wordt vaak vergeleken met Deuteronomium 7:2, waar ook betoogd wordt dat oorlog weliswaar niet goed is, maar dat de heidenen nu eenmaal gedood zullen moeten worden. In de traditionele Korancommentaren wordt bij 2:191 steeds aangetekend dat fitna hier “heidendom” betekent. Voor de heidenen is dat natuurlijk geen goed nieuws, maar ook voor moslims ziet het er onheilspellend uit. Steeds worden zij door fitna bedreigd, in politieke, sociale, religieuze en zelfs in seksuele zin. Tegen die bedreigingen mogen alle middelen worden ingezet, want wie fitna medepleegt, of hij nu moslim is of niet, is erger dan een moordenaar. Fitna is dan wel een door God opgelegde beproeving waarbij zij die verloren zullen gegaan gescheiden worden van hen die behouden zullen blijven, maar eigenlijk is fitna een heel algemeen woord geworden voor ‘het kwaad’. Uit de benaming en zelfs uit de etymologie van die benaming blijkt wel al dat de moslims het er over eens zijn dat het God zelf is die dit kwaad heeft geschapen, en wel ter beproeving van zijn gelovigen. Die goddelijke oorsprong en dat nobele doel maken het kwaad begrijpelijk en geven het zin. De tweede term die bij alle discussies in de islam die over het kwaad handelen gebruikt moet worden is jahiliyya. Uiteraard is ook weer dit woord in de andere islamtalen overgenomen. De eerste betekenis is die van ‘de periode voorafgaand aan de islam’. Deze periode, geloven de moslims, was een tijdperk van wetteloosheid, immoraliteit, afgoderij, zedeloosheid, slechtheid en verdorvenheid zoals er zelden een periode in de geschiedenis van de mensheid geweest is. Met het optreden van Mohammed en de komst van de islam is het, God zij dank, met deze periode afgelopen. De Nederlandse journalist en schrijver Joris Luyendijk heeft ooit een treffende vergelijking gemaakt met de Nederlandse opvattingen over de jaren 1940-1945. Zo’n periode willen we nooit weer, daar zijn alle Nederlanders het roerend over eens. De moslimse opvattingen over de wantoestanden op het Arabisch schiereiland aan de vooravond van de islam worden eigenlijk niet door de beschikbare archeologische gegevens bevestigd, in tegendeel zelfs, maar wat niet is kan misschien nog komen. Een van de grootste beweerde gruwelen uit de Jahiliyya-periode is dat pasgeboren dochtertjes toen levend begraven werden, kennelijk een vorm van geboortebeperking. De Koran maakt melding van deze praktijk, en in preken wordt er veelvuldig aan gerefereerd. In TV-films wordt het begraven van levende meisjesbaby’s plastisch en afschrikwekkend uitgebeeld. Een moslims meisje dat thuis op de beeldbuis zo’n film ziet, is blij dat zij aan de goede kant van de streep geboren is. (Ook Ayaan Hirsi Ali, in haar optreden in Zomergasten, maakte melding van haar kinderlijke opluchting wanneer zij zulke films zag, dat zij en haar ouders gelukkig in ieder geval moslim waren). In de op de beeldbuis veelvertoonde films over de Jahiliyya vertonen de heidenen die in hun blote kont om gruwelijke, demonische afgodsbeelden heen dansen, soms een opvallende overeenkomst, ook qua kleding en haardracht, met Westerse ‘hippies’. Er is geen moslim te vinden die niet blij is dat de Jahiliyya is afgelopen. Letterlijk betekent Jahiliyya waarschijnlijk ‘onwetendheid’, maar er zijn andere verklaringen. Zowel in het klassiek Arabisch als in het moderne standaard Arabisch betekent jahil in ieder geval ‘onwetend’, ‘onbeschaafd’, ‘onwelvoeglijk’, enzovoort. De benaming Jahiliyya zou er dan naar verwijzen dat in deze periode de mens de Goddelijke openbaring nog niet kende, en onwetend was van het heil dat de islam te bieden heeft. Hoe het ook zij, het woord Jahiliyya staat normaliter voor de periode van het absolute kwaad, die door de komst van de islam ten einde is gekomen. In de vijftiger jaren van de twintigste eeuw wordt een ander aspect van de betekenis van Jahiliyya langzaam maar zeker steeds prominenter en algemener. Het gaat dan bij Jahiliyya niet langer om een periode van de geschiedenis, die inmiddels voorbij is, maar om een toestand van on-islamitisch-heid die ondanks de komst van de islam hier en daar mogelijk nog steeds voortduurt. De betekenisverschuiving van periode naar toestand heeft grote consequenties. Nu kunnen vrome moslims immers hun (politieke) tegenstanders gaan aanduiden als aanhangers van de Jahiliyya, een zwaar beladen negatieve term die bij moslims heftige emotionele reacties kan opwekken. De gehele maatschappij, zo realiseren sommige visionaire radicalen zich, is eigenlijk Jahilietisch, zeker zolang de heilbrengende wetten van de islam niet algemeen worden toegepast. Langzaam maar zeker leidt dit er toe dat de radicalen steeds verder de maatschappij en de staat zoals die zich hebben uitgekristalliseerd in de landen van de islam, gaan afwijzen. Het zijn de groepen die in de greep van deze ideologie zijn geraakt voor wie Westerse waarnemers in de zeventiger jaren de naam “fundamentalisten” bedenken. Inmiddels is deze benaming in het Arabisch overgenomen, in de vorm oesoeli, van oesoel, ‘fundamenten’. In de ogen van deze fundamentalisten maken de seculaire regeringen in de hoofdsteden van wat het Westen de islamitische wereld noemt, in feite deel uit van de Jahiliyya. Ze moeten dus op leven en dood bestreden worden, precies zoals de Profeet Mohammed de Jahiliyya beoorloogd heeft, want de Jahiliyya belichaamt het absolute kwaad, ongeveer zoals ‘fascisme’ in de Europese context het absolute politieke kwaad is. Voor moslims is verzet tegen een Jahilietische regering vanzelfsprekend. Alleen een islamitische regering is goed genoeg. Voor een moslim is de keuze tussen Jahiliyya en islam gelijk aan de keuze tussen goed en kwaad. Het heeft, voor een religieuze oppositiebeweging dus grote voordelen wanneer het lukt om de zittende regering als Jahilietisch te laten aanduiden. Het zijn vooral de activisten Aboe al-Alaa Mawdoedi (zijn naam wordt ook door de catalogus van de Leidse Universiteitsbibliotheek op meer manieren gespeld), 1903-1979 in Pakistan, en Sayyid Qutb, 1906-1966 in Egypte, die deze ideologie vorm geven, uitdragen, en in talloze boeken en pamfletten aan de man weten te brengen. Alle voorvallen waar geweld gebruikt werd, en waarbij dat gebruik van dat geweld werd gerechtvaardigd met aan de islam ontleende argumenten, gaan terug op deze twee mannen of hun directe leerlingen, ook de acties van Osama ben Laden, die in Saoedie-Arabië aan het einde van de zeventiger jaren een leerling is geweest van een broer van Sayyid Qutb. Het getuigt van een zekere tragiek dat de strijd tegen het algemeen erkende kwaad van de Jahiliyya is verworden tot modern anti-Westers terrorisme. Maar het is benijdenswaardig knap hoe de onder moslims algemene de afkeer van de Jahiliyya door allerlei activisten politiek te gelde is gemaakt ten gunste van de anti-Westerse terroristische bewegingen. De aanhangers van zulke bewegingen, Al-Qaeda voorop, hebben met reden het gevoel dat zij voor het goede en tegen het kwaad strijden. De wereld van de islam is een woelige wereld, waar voortdurend van alles gebeurt. Het is psychologisch niet eenvoudig om terwijl er buiten heftig gevochten wordt tegen de Jahiliyya, tegen de kuffaar (de niet-moslims), tegen afvallige moslims, of over de vraag wie er Kalief moet worden, binnen in alle rust op de subtiliteiten van de dogmatiek te gaan zitten studeren. Het is dan ook onmiskenbaar dat binnen de wereld van de islam, vroeger en nu, de meeste aandacht uitgaat naar praktische zaken van politiek en dagelijks leven. De vraag ‘welk gedrag is goed islamitisch?’ heeft oneindig meer belang dan de vraag ‘wat gelooft een goede moslim?’ De islam, zeggen de moderne Westerse theologen dan, is meer een godsdienst waar de orthopraxie centraal staat, dan de orthodoxie. Het de eigen aanhang door constante aandacht voor het gedrag van minuut tot minuut bij de les houden is dan ook een van de sterke kanten van de islam. Die voortdurende aandacht versterkt en onderhoudt de band tussen de islam en de moslims. Desalniettemin hebben de dogmatiek-specialisten van de islam natuurlijk wel de gelegenheid gehad zich over de vraag naar het kwaad te buigen. Steeds hebben ze dan onderwezen dat het niet anders kan of God zelf is de schepper van het kwaad. De islamitische dogmatici hebben net als hun christelijke en joodse collega’s immers gebruik gemaakt van de formele redeneertechnieken die het Griekse middenoosterse erfgoed bevat. Ook in een islamitische context is de conclusie daarom onvermijdelijk dat er eenvoudigweg geen andere schepper kan zijn behalve God zelf, ook wat het kwaad aangaat. Er zijn weinig godsdiensten die zich er op kunnen beroemen dat hun particuliere woord voor “de strijd tegen het kwaad” wereldwijd bekend is geraakt. De islam kan daar wel prat op gaan: er is geen wereldburger meer die het woord jihad niet kent. Dat heeft trouwens een schaduwzijde. De definitie van het kwaad is in de islam, zowel in het volksgeloof als de academische theologie, zo ruim dat ook de niet-moslims en hun opvattingen en gedragingen er onder kunnen vallen. Dat heeft in het verleden al tot veel conflicten en oorlogen geleid, en ondanks de adempauze van zo’n drie eeuwen die er is ingetreden na het historische ontzet van Wenen in 1683, waar het Poolse leger de Turken heeft weten te verjagen, ziet het er sinds 11 september 2001 weer naar uit dat het ook in de toekomst nog tot veel conflicten zal leiden. (c) Hans Jansen, 2005 Debatteer mee op ons Forum! |