![]() |
home FFI-international: Engels FFI-international Forum
|
De islamitische strijd tegen het kwaad - Deel 2 - Hans Jansen
De islamitische strijd tegen het kwaad - Deel 2 - Hans Jansen De Koran kent twee verhalen die een aanwijzing geven over het juiste antwoord op de vraag waar, volgens de islam, het kwaad vandaan komt. Het eerste verhaal is een onderdeel van een van de scheppingsverhalen die de Koran bevat, en is te vinden in Soera (“hoofdstuk”) 2, vers 30-39. Deze verzen beginnen met het schetsen van een scène die in de Bijbel niet voorkomt, maar die toch zo veel bijbelse elementen bevat dat hij voor Westerse lezers onmiddellijk begrijpelijk is. De Koran gebruikt in deze passage overigens, net als het Nederlands, makkelijk herkenbare vormen van de beide bijbelse benamingen ‘Duivel’ en ‘Satan’. Het Arabische ibliis, van het Griekse diabolos waar ook het Nederlandse woord ‘Duivel’ van is afgeleid, wordt in Koran 2:34 gebruikt. Direct daarna (2:36) gebruikt de Koran het Arabische shaytaan dat net als ons woord ‘Satan’ van het Hebreeuws is afgeleid.
Vervolgens komen de leraar en zijn leerling in een stad, waar zij de bewoners om voedsel en onderdak vragen. Dat wordt hen geweigerd. Dan stapt de leraar af op een muur die op instorten staat, en zet deze weer overeind. Verbaasd vraagt de leerling waarom hij zoiets doet. “Daar had u toch loon voor kunnen krijgen?”, vraagt hij (vers 77). Dan wordt het de leraar te veel. Nu is het afgelopen, zegt hij tegen zijn leerling, “maar ik zal wel aan je uitleggen wat je niet hebt kunnen laten passeren zonder mij er met vragen over lastig te vallen” (vers 78). De boot, vertelt de leraar, was het eigendom van eerlijke, arme zeelieden. Hij heeft de boot vernield omdat er aan de andere kant van het water een onrechtvaardige koning de opvarenden stond op te wachten. Deze koning had het plan de zeelieden met geweld van hun schip te beroven, en mogelijk de arme zeelui te doden zoals de roofzuchtige heersers hier op aarde nu eenmaal plegen te doen (vers 79). De jongen die onverhoeds werd doodgeslagen was ongelovig en gewelddadig, het was voor zijn vrome en godvrezende ouders beter dat hij zou sterven en dat God hen een betere, vrome zoon in zijn plaats zou geven (vers 80 en 81). De muur, legt hij uit, behoorde aan twee weeskinderen. Er lag een schat onder, die aan hen beiden toebehoorde maar deze twee jonge kinderen waren nu nog niet in staat die schat tegen diefstal en roof te beschermen. Het was beter dat ze eerst volwassen zouden worden en dan pas hun schat zouden vinden, op een leeftijd waarop ze hem ook verdedigen en behouden konden (vers 82). Het verhaal zoals dat hier in de Koran verteld wordt, heeft een aantal implicaties. Het opvallendst is dat het verhaal de mens eigenlijk als onmachtig beschouwt om op eigen kracht vast te stellen wat goed en kwaad zijn. Ogenschijnlijk waren het vernielen van de boot en het doden van de jonge man grove wandaden. In werkelijkheid waren het evenwel handelingen die een veel groter kwaad hebben weten te voorkomen. De onmacht van de mens om tot een juiste beoordeling van goed en kwaad te komen wordt dan nog eens bevestigd door het verhaal van de muur. Mensen zien allerlei dingen gebeuren, maar hebben geen idee van de zin van deze gebeurtenissen. Dat is geen vrolijke boodschap. Het heeft in het volksgeloof van de moslims in de islamitische wereld geleid tot de opvatting dat wat er ook gebeurt, dat was het beste. Het is dan ook gebruikelijk geworden om bij het plaatsgrijpen van rampen toch steeds “Gode zij dank!” (Arabisch: Al-Hamdu lillaah) te zeggen omdat God immers gedankt moet worden dat hij niet een nog ergere ramp heeft laten plaats vinden.
Op dezelfde manier zegt iemand die naar zijn gezondheid gevraagd wordt altijd Al-Hamdu lillaah, ook al gaat het hem eigenlijk niet zo vreselijk voor de wind. Het had immers veel erger kunnen zijn. Alleen uit de intonatie waarmee de zieke zijn lofprijzing uit, kan een gevoelige en opmerkzame toehoorder afleiden hoe de zaken gesteld zijn. Wat er ook maar gebeurt, of het er nu goed of slecht uitziet, het is Gods wil – en het is dus goed. Niet alleen militairen en leken denken er zo over, ook bijvoorbeeld de theoloog Sheikh Al-Sha’rawi huldigt deze opvatting. In de laatste decennia van de twintigste eeuw heeft Al-Sha’rawi in het Midden-Oosten een ongekende populariteit als televisiepredikant gekend. Het is moeilijk voorstelbaar, maar de Sheikh was haast vaker op het televisiescherm te zien dan de daar zo geliefde staatshoofden zelve. Zijn boeken en prekenbundels lagen op elke plek waar drukwerk verkocht werd. Menige boekhandel, kiosk en krantenverkoper op straat moet haast alleen al van de verkoop van Sha’rawi’s gedachtengoed hebben kunnen leven. Ook in Indonesië hebben zijn geschriften, vertaald in het Indonesisch, werkelijk overal gelegen, en mogelijk is dat nog steeds het geval. In een van zijn preken vraagt de Sheikh zijn gehoor wat je als gewone gelovige nu toch moet denken bij het zien van mismaakten en invaliden. Bij het zien van zulke ellende, houdt de Sheikh zijn gehoor voor, moet je God danken dat hij jou niet invalide of mismaakt heeft gemaakt, en dat hij het voor wie wel invalide of mismaakt is, niet nog erger heeft gemaakt. Wanneer een van je kinderen sterft, behoor je blij te zijn dat niet al je kinderen zijn gestorven. Moderne westerse ongelovigen zullen moeite hebben zich in deze gedachtenwereld te verplaatsen, en wellicht ernstig bezwaar hebben tegen zulke opvattingen. In de islamitische wereld heeft deze manier van naar het leven kijken natuurlijk wel geleid tot berusting, wat zeker op momenten dat er toch niets te veranderen valt geen onverstandige houding is. Mustafa Amin was een Egyptische journalist en veelschrijver die duizenden columns en tientallen boeken heeft gepubliceerd. Hij stond op goede voet met de regimes van koning Fou’ad en koning Farouq, hij was bevriend met Nasser maar heeft aan het einde van de regeringsperiode van Nasser desondanks wel jarenlang in diens gevangenissen en werkkampen gezeten. Pas Sadat heeft hem vrijgelaten, en ten tijde van Sadat en Mubarak was zijn reputatie dan ook duizelingwekkend, waarschijnlijk mede vanwege zijn hoge leeftijd. In het omvangrijke veelgelezen populaire oeuvre van Mustafa Amin zijn nauwelijks sporen van islamitische religiositeit te vinden, behalve dan dat bij rampen de slachtoffers vaststellen dat God het zo gewild heeft. Ook in zijn semi-autobiografische romans over zijn belevenissen in Nasser’s strafkampen laat Mustafa Amin door de held van het verhaal steeds vaststellen dat God gewild heeft dat het liep zoals het liep. Kennelijk leven we in de beste van alle mogelijke werelden. Het gevoel in de beste van alle mogelijke werelden te leven, het door de godsdienst bevorderde gevoel dat de wereld niet anders kan zijn dan hij is, is weinig bevorderlijk voor het ontstaan van politieke partijen en vakbewegingen die zoals in het Westen gebruikelijk zijn, die deelverbeteringen nastreven, en die met kleine, in de ogen van de aanhang soms te kleine, stapjes en maatregelen onophoudelijk proberen om grote en kleine misstanden geleidelijk aan te verhelpen, en die zelfs trachten om zelfs het beste nog enigszins te verbeteren. Zulke partijen en vakbewegingen zijn er dan ook niet in de islamitische wereld. Natuurlijk hangt dat ook samen met het dictatoriale karakter van de regimes waaronder de moslims moeten leven. Maar het wereldbeeld dat de islamitische theologie aanbiedt, werkt uiteraard wel in de hand dat zulke bewegingen er ook niet komen. Hoe zinvol het ook is voor een individu om te berusten in zijn lot indien dat lot onveranderlijk en onvermijdelijk is, maatschappelijke en economische vooruitgang is nooit gediend bij berusting. Maatschappelijke vooruitgang en verandering kunnen alleen tot stand komen wanneer er een ideologie aanwezig is die de droom van een (net iets) betere wereld aanbiedt. Lees hier deel 3 uit de cyclus De islamitische strijd tegen het kwaad. (c) Hans Jansen, 2005 Debatteer mee op ons Forum! |