home
forum
artikelen
ex-moslims
links


FFI-international: Engels
FFI-international Forum


Vraag Tante Latifa

Heb je islam-gerelateerde vragen over familie, vrienden en geliefden? Word je geconfronteerd met een moeilijke situatie, en zou je graag een advies willen?
Stel je vraag aan tante Latifa!



Vraag tante Latifa!

(Zie ook Engelstalig)

De islamitische strijd tegen het kwaad - Deel 1 - Hans Jansen

Hans Jansen, bijzonder hoogleraar voor 'het hedendaags islamitisch denken' aan de Universiteit van Utrecht

Van 1982 tot 1 mei 2005 was Hans Jansen werkzaam als universitair docent Arabisch en Islamkunde in Leiden. Daarvoor was hij o.a. directeur van het Nederlands Instituut in Caďro en wetenschappelijk (hoofd)medewerker in Groningen.

Arabist Jansen publiceert op zijn website!


De islamitische strijd tegen het kwaad - Deel 1 - Hans Jansen

De Koran kent twee verhalen die een aanwijzing geven over het juiste antwoord op de vraag waar, volgens de islam, het kwaad vandaan komt. Het eerste verhaal is een onderdeel van een van de scheppingsverhalen die de Koran bevat, en is te vinden in Soera (“hoofdstuk”) 2, vers 30-39. Deze verzen beginnen met het schetsen van een scčne die in de Bijbel niet voorkomt, maar die toch zo veel bijbelse elementen bevat dat hij voor Westerse lezers onmiddellijk begrijpelijk is. De Koran gebruikt in deze passage overigens, net als het Nederlands, makkelijk herkenbare vormen van de beide bijbelse benamingen ‘Duivel’ en ‘Satan’. Het Arabische ibliis, van het Griekse diabolos waar ook het Nederlandse woord ‘Duivel’ van is afgeleid, wordt in Koran 2:34 gebruikt. Direct daarna (2:36) gebruikt de Koran het Arabische shaytaan dat net als ons woord ‘Satan’ van het Hebreeuws is afgeleid.


Spreuk om de shaytaan te verdrijven

De Koran vertelt in Soera 2 dat God de engelen meedeelt dat hij het plan heeft opgevat de mens te gaan scheppen. De engelen reageren door God te waarschuwen dat de mens verderf zal brengen, en bloed zal gaan vergieten, terwijl zij, de engelen zelf, zich bezig houden met het lofprijzen van God. Ruw vertaald wordt hier de mens met al zijn kwaad- en slechtheden gecontrasteerd met de zondeloze engelen (vers 30).
De Koran gaat (althans in dit verhaal) voorbij aan het moment zelf van de schepping van de mens, en schakelt over naar hoe God aan Adam “alle de namen” onderwijst.

Dit contrasteert met Genesis 2:20, waar het juist Adam zelf is die de dieren hun namen geeft. Vervolgens toont God de zaken die zojuist een naam hebben gekregen aan de engelen, en daagt hen uit hem te vertellen hoe de namen van die zojuist benoemde zaken luiden. Uiteraard moeten de engelen toegeven dat zij dat niet weten (vers 31 en 32). Daarna krijgt Adam de opdracht de engelen een lesje te leren en hen over de namen te onderrichten (vers 33). Dat doet Adam dan ook.

De kern van het verhaal zit in vers 34. God geeft nu aan de engelen de opdracht zich voor Adam ‘neder te werpen’, zich voor Adam ‘neer te buigen’. Hoewel knielen of zich neerbuigen voor iemand nauwelijks anders kan worden opgevat dan als een erkenning van de superioriteit van die ander, gehoorzamen de engelen wel, en ‘werpen ze zich neder’. Dan volgt een verrassing: een van de engelen, Ibliis genaamd, weigert.


Nederlandse vertaling

Zoals 2:34 geformuleerd is, lijkt het te suggereren dat de Duivel oorspronkelijk deel heeft uitgemaakt van de engelenschare, maar Koran 18:50 vertelt hetzelfde incident in nagenoeg dezelfde bewoordingen, maar wekt daarentegen de indruk dat de Duivel van oorsprong een demon (Arabisch: Jinn) is. Uiteraard hebben moslimse schriftgeleerden eeuwenlang elke mogelijke druppel betekenis willen persen uit dit verschil tussen deze twee teksten die bijna geheel overeenkomen maar waar 2:34 de engelen noemt, noemt 15:80 de demonen. Een populaire oplossing voor dit probleem is te stellen dat de Satan weliswaar van oorsprong een engel is, maar dat zijn machten die van een demon of jinn geworden zijn.

Moderne Westerse geleerden zouden het minieme onderscheid in woordkeus tussen 18:50 en 2:34 eerder gebruiken om te proberen gevolgtrekkingen te maken over de tekstgeschiedenis van de Koran: volgens hen wijst zo’n klein verschil er eerder op dat de tekst van de Koran pas geleidelijk aan in zijn huidige vorm gestabiliseerd is, en oorspronkelijk meer varianten gekend heeft dan thans het geval is. Moslims zullen zulke filologische speculatie afwijzen. De islam leert immers dat de overlevering van de tekst van de Koran feilloos verlopen is. Deze foutloosheid is een gewichtige zaak, want alleen wanneer het woord van God zonder mankementen is doorgegeven, kunnen de gelovigen vertrouwen op de beloften die de Koran doet: voor de gelovigen een paradijselijk leven in het hiernamaals, en het hellevuur voor de ongelovigen.

Dan volgt aan het slot van vers 34 de clou: Door de weigering om het goddelijke bevel zich voor Adam neer te buigen op te volgen, wordt de Duivel een kaafir. Het woord kaafir wordt normaliter met “ongelovige” vertaald. Uit de inhoud van het boek ‘Jihad in de polder’ (2004) van Siem Eikelenboom mogen we afleiden dat dit woord ook tot bepaalde vormen van het Nederlands is doorgedrongen. In dit boek duidt een Nederlands sprekende moslim, een onderwijzer op een islamitische basisschool, een Nederlands autochtoon niet-moslims meisje aan als “een kafirmeisje”. Misschien dat ook het Nederlandse woord ‘kaffer’ van het Arabische kaafir is afgeleid. Hoe het ook zij, alle mij bekende Koranvertalingen vertalen het laatste woord van vers 34 als “ongelovig”, bijvoorbeeld:

He was of those who reject Faith (Yusuf Ali).
and so became a disbeliever (Pickthal).
he was one of the unbelievers (Shakir).
Want hij was een van de ongelovigen (Leemhuis).
Hij werd van de ongelovigen (Kramers).

De vertaling van Kramers staat hier wat de zinsbouw aangaat trouwens het dichtst bij het Arabisch. Zoals wel vaker bij deze uitstekende baanbrekende vertaling wordt hij pas begrijpelijk wanneer je naar de originele Arabische tekst hebt gekeken – wat iemand die een vertaling nodig heeft misschien niet zo snel zal doen.

Het is natuurlijk enigszins dwaas om (zoals de vertalers eenstemmig doen) te willen beweren dat de Satan, nadat hij een twistgesprek met God gevoerd heeft, na afloop van dit twistgesprek plotseling een ongelovige is geworden, iemand die niet (of: niet meer) in het bestaan van God gelooft. De Satan heeft volgens het verhaal immers zo juist nog zelf met God gesproken, een voorrecht dat weinig stervelingen beschoren is. De juiste vertaling van kaafir moet daarom eerder iets luiden als “vijand van God”, “tegenstander van de plannen die God voor de mens heeft”, “lid van de anti-God partij”.

Zo’n vertaling sluit nauw aan bij de oorspronkelijke Arabische betekenis van het woord kaafir: “ondankbaar”, wat zich dan ontwikkeld heeft tot “ondankbaar jegens Gods weldaden”. Afgezien van de geneugten van de schepping is naar moslims inzicht de openbaring van de Koran een van Gods belangrijkste weldaden jegens de mens, zodat nu nog maar een kleine stap is naar de vertaling “ongelovige”, “iemand die ondankbaar is voor de openbaring van de Koran en de geboden van de islam”. Het slot van vers 34 moet daarom ook eerder begrepen worden als “Hierdoor werd de Satan iemand die ondankbaar is voor Gods goede gaven aan de mens zoals de geneugten van de schepping en de leefregels van de islam, hij werd iemand die Gods plannen met de mens weerstreeft en tegenwerkt”.

In het gewone dagelijkse moslimse spraakgebruik worden de niet-moslims als kuffaar aangeduid. Kuffaar is het Arabische meervoud van kaafir. Dat woordgebruik verwijst naar de wijdverbreide opvatting dat de niet-moslims, onder de leiding van de Satan, geďnspireerd door de Duivel, die één van hen is, Gods plannen met de mens, dus de islam, weerstreven, afwijzen en tegenwerken. De oorsprong en de belichaming van het kwaad zijn nu duidelijk: de niet-moslims en hun duivelse Satan. Zij zijn immers per definitie anti-islamitisch, islamofoob, vijanden van God en van alles wat goed is. Alleen door moslim te worden, kan de mens deserteren uit de legerscharen van de Duivel en de Satan, en zich voegen bij de partij van God. Het is een interessante opvatting, maar voor de vreedzame coëxistentie van moslims en niet-moslims zijn zulke opvattingen, hoe interessant ook, niet bevorderlijk. Het is in het licht van dergelijke opvattingen eigenlijk een wonder dat het tussen moslims en niet-moslims zo vaak goed gaat.

Het verhaal zwenkt in vers 35 naar de volgende scčne: God plaatst Adam en Eva in het Paradijs, en verbiedt hen “deze boom” te benaderen. De manier waarop de Koran dit verhaal vertelt zou onbegrijpelijk zijn voor wie het verhaal van Genesis 2:16-17 niet kent. Kennelijk richtte de Koran zich, in Mekka (612-622?) en in Medina (622-632?), tot een publiek dat de bijbelse vertellingen min of meer kende. Eva die als verleidster Adam van de appel laat eten speelt in het verhaal zoals dat hier verteld wordt geen rol. Vers 36 stelt daarentegen direct aan het begin “Toen deed Satan hen misstappen”. Mogen we hier uit concluderen dat het kwaad niet in de mens zelf zit ingebakken, maar dat het de Satan is, en zijn trawanten, die, steeds weer opnieuw, de mens verleiden tot het doen van kwaad?

Het verhaal besluit met de goddelijke belofte te zijner tijd “een leidraad” aan de mens te zullen schenken, hem “rechte leiding” te geven. Wanneer de mens deze geopenbaarde aanwijzingen opvolgt, heeft hij bij het Laatste Oordeel niets te vrezen (vers 38). Na deze verwijzing naar de islam gaat de tekst verder met een bedreiging van de ongelovigen, dat zijn de niet-moslims: die zullen voor eeuwig branden in het vuur omdat zij “Onze tekenen” (in de Koran een gebruikelijke aanduiding van de Koran) als onwaar hebben beschouwd (vers 39).

Dit fragment uit de Koran is geen filosofisch betoog, maar een verhaal dat, ook via de eigenaardige terminologie, de toehoorder duidelijk heeft willen maken wie voor het kwaad verantwoordelijk zijn: de opper-kaafir de Satan, en zijn uit kuffaar bestaande heerscharen. De moslims, dat is de partij van God, vertegenwoordigen het goede. Het is vanuit deze opvatting dat de woorden “islamitisch” en “goed” naar moslims gevoelen haast tot synoniemen zijn geworden. Anderzijds hebben zulke opvattingen de woorden “niet-islamitisch” in de oren van veel moslims tot een synoniem van “kwaadaardig” gemaakt. Voor propagandadoeleinden wordt in de islamitische wereld van deze gelijkstellingen veelvuldig gebruik gemaakt, zowel door de heersende regeringen in de hoofdsteden van de wereld van de islam, als door de religieus geďnspireerde oppositiebewegingen, waarvoor nog steeds geen goede onomstreden benaming tot stand is gekomen: de fundamentalisten, de extremisten, of de radicalen.

Lees hier deel 2 uit de cyclus De islamitische strijd tegen het kwaad.

(c) Hans Jansen, 2005


Debatteer mee op ons Forum!
Lees hier meer over islam en actualiteit!


Artikelen index