Heb je islam-gerelateerde vragen over familie, vrienden en geliefden? Word je geconfronteerd met een moeilijke situatie, en zou je graag een advies willen?
Stel je vraag aan tante Latifa!
Met dank aan Peter Breedveld, vertaling door Bernadette de Wit
Multiculturalisme en de Verlichting
Linkse en islamitische critici van de vrijheid van meningsuiting noemen elke verdediging daarvan ‘Verlichtingsfundamentalisme’. Daar kun je tegenin brengen dat de Verlichting niet alleen goed was. Ook marxisme en multiculturalisme zijn eruit geboren.
Multiculturalisme als masssabeweging die in het Westen een bijna-hegemonie heeft bereikt, is een product van de jaren ’60 en ’70. Waarschijnlijk is het een Amerikaans exportproduct. Dit sluit niet uit dat bepaalde elementen uit deze ideologie veel ouder zijn en uit Europa stammen.
Sommigen zouden die dateren in de tijd van de Frankfurter Schule, een cultureel-marxistische denkrichting vanaf de jaren ’20 die vooral in het naoorlogse Duitsland toonaangevend was, en aan denkers als Antiono Gramsci (Italië) en George Lukacs (Hongarije). Deze stroming had tot doel het kapitalisme omver te werpen door de hegemonie van de westerse cultuur te ondermijnen. Volgens Gramsci kon de socialistische revolutie, die na de Russische Revolutie nooit het Westen bereikte, pas plaatshebben als mensen eerst zouden worden bevrijd van de westerse cultuur, in het bijzonder van zijn ‘christelijke ziel’. Lukacs zei in 1919: ‘Wie red ons van de westerse beschaving?’ Dit kon worden bereikt door de traditionele joods-christelijke moraal af te breken en zijn instituties van binnenuit in diskrediet te brengen.
Maar het begrip cultureel relativisme is ouder dan het marxisme en gaat op zijn minst terug tot de Verlichting. In de woorden van Ibn Warraq: ‘De behoefte een vreemde cultuur te zien als in sommige opzichten superieur is even groot als het verlangen die te zien als inferieur.’
Europa’s eerste kennismaking met niet-Europese beschavingen begon in de 16de eeuw met de periode van de ontdekkingsreizigers. In die tijd werd de notie van de nobele wilde ontwikkeld. Dit idee bestond echter al veel langer. In Germania, geschreven in het jaar 98 AD, contrasteerde Tacitus de deugden van de Germanen met de ondeugden van zijn Romeinse tijdgenoten. Hij stelde de edele eenvoud van de van de Teutoonse cultuur tegenover de corruptie van Rome. Accuraat was het niet, maar het werkte goed als moraliteit (fabel) en het beïnvloedde later Gibbon, Rousseau en vele anderen.
Volgens Warraq schreef Montaigne het eerste uitgebreide portret van de nobele wilde in zijn veelgeroemde essay Des Cannibales (ca. 1580). Dit is de bron van het moderne cultureel relativisme. Montaigne beschreef een aantal gruwelijke gewoonten van Braziliaanse Indianen en concludeerde: ‘Ik ben er niet op uit dat we de vreselijke barbarij van hun daden opmerken, maar als we hun fouten beoordelen, moeten we ook niet blind zijn voor de onze. Ik denk dat het barbaarser is een levend mens op te eten dan een dode; een lichaam waar nog gevoel in zit aan stukken te scheuren en te folteren, het te roosteren en het dan aan de honden of zwijnen te geven om het te laten vertrappelen en opvreten (iets dat we niet alleen gelezen hebben, maar ook gezien, vers in het geheugen, niet alleen tussen oude vijanden, maar ook tussen buren en medeburgers en, nog erger, onder het voorwendsel van vroomheid en godsdienst), is barbaarser dan hem te roosteren en te eten nadat hij is overleden.’
Montaignes twijfelachtige, tweedehands kennis van deze edele wilden weerhield hem niet van veroordeling van zijn eigen cultuur: ‘Wij overtroeven hen in alle soorten barbaarsheid’.
In mijn ogen waren de belangrijkste effecten van de Verlichting in Europa positief, zoals meer godsdienstvrijheid, zowel voor christenen als joden, en meer vrijheid van meningsuiting in het algemeen. De Amerikaanse Grondwet en vele Founding Fathers werden sterk beïnvloed door de waarden van de Verlichting. De Verlichting heeft ons grote denkers gebracht, zoals John Locke, Adam Smith en Montesquieu.
Maar er waren ook elementen in het Verlichtingsdenken die hebben geleid tot het radicalisme van de Franse Revolutie. Later werden ze een inspiratiebron voor het marxisme, historisch materialisme, determinisme en utopianisme. Er was een tendens om godsdienst uitsluitend te zien in negatieve termen en om alle nadruk te leggen op de menselijke volmaaktheid.
We kunnen de antichristelijke, anti-joodse en pro-islamitische vertekening in het moderne multiculturalisme op zijn minst terugvoeren op Verlichtingsdenkers als de 18de-eeuwse schrijver en filosoof Voltaire. Voltaire doorstond talrijke perioden van gevangenschap en verbanning omdat hij kritiek had op alles en iedereen. Door zijn verbanning naar Engeland zag hij de Engelse constitutionele monarchie als een systeem met meer respect voor religieuze tolerantie dan dat van Frankrijk, hetgeen hem impopulair maakte in sommige Franse kringen. Hij was zeker niet bang voor controverse en het beroemde citaat dat aan hem wordt toegeschreven, ‘Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal tot de dood uw recht verdedigen het te zeggen’, kan een gezond tegengif zijn tegen censuur. Overigens heeft Voltaire dit nooit gezegd. De uitspraak verscheen voor het eerst in een biografie over hem uit het begin van de 20ste eeuw.
Vorig jaar maart veroorzaakte een toneelstuk van Voltaire uit 1741, getiteld Le fanatisme ou Mahomet le prophète, een hoop onrust in het Franse stadje Saint-Genis-Pouilly. Moslims eisten dat de opvoering werd afgelast omdat het ‘beledigend’ was voor ‘de hele moslimgemeenschap’. In plaats daarvan regelde de burgemeester politieversterking bij het theater. Het toneelstuk portretteert Mohammed als meedogenloze tiran, uit op overheersing. Het belangrijkste thema is het gebruik van godsdienst om politieke ambitie te maskeren. Voltaire hangt alle soorten religieuze intolerantie op aan de stichter van de islam. In een brief aan paus Benedictus XIV noemde Voltaire het ‘een satire over de wreedheid en vergissingen van een valse profeet’.
Toch schijnt Voltaire volgens Ibn Warraq spijt te hebben gehad van wat hij schreef. ‘Zeker heb ik hem slechter gemaakt dan hij was.’ In zijn Essai sur les moeurs (1756) toont Voltaire zich bevoordeeld pro-islam ten koste van het christendom. Hij prijst de eenvoud van de islamitische dogma’s: er is maar één God en Mohammed is zijn profeet. De ogenschijnlijke rationaliteit van de islam vond hij aantrekkelijk: geen priesters, geen wonderen, geen mysteriën. Daar voegde hij de tolerantie van de islam tegenover andere religies aan toe en hij zag een tegenstelling met in zijn ogen intolerante christendom.
The History of the Decline and Fall of the Roman Empire werd in zes delen (vanaf 1776) geschreven door de beroemde Engelse historicus Edward Gibbon. Volgens Gibbon waren de Romeinen lui en zacht geworden. Dit kwam deels door het christendom, dat met zijn nadruk op het leven na de dood en zijn pacifistische ideeën de Romeinse kracht had leeggezogen, waardoor ze hun imperium niet meer konden verdedigen. In de tijd dat Gibbon over het Romeinse Rijk schreef, was er volgens de historicus Bernard Lewis ‘een vacature voor een Oriëntaalse mythe. De islam kwam in vele opzichten goed uit.’
‘Gibbon schilderde net als Voltaire de islam in zo gunstig mogelijke kleuren om een beter contrast met het christendom te krijgen. De Engelse historicus legde de nadruk op de menselijkheid van Mohammed als een middel om indirect de christelijke doctrine van de goddelijke Christus te kritiseren. Gibbons anticlericalisme bracht hem ertoe de veronderstelde afwezigheid van de vervloekte priesterklasse te onderstrepen. Inderdaad duikt dit patroon telkens opnieuw op – de islam wordt gebruikt als een wapen tegen het christendom. Gibbons deïstische visie op de islam, als een rationele, priesterloze godsdienst, met Mohammed als de wijze, tolerante wetgever, is van enorm grote invloed geweest op de manier waarop alle Europeanen hun zusterreligie nog jaren later hebben bekeken. Inderdaad zijn hierdoor mythes gevestigd die zelfs vandaag de dag nog klakkeloos worden aanvaard door zowel wetenschappers als leken. Voltaire en Gibbon onderschreven beiden de mythe van de moslimtolerantie (waarmee ze Turkse tolerantie bedoelden).’
Edward Gibbon zag de slag bij Poitiers (732) als een keerpunt in de Europese geschiedenis. Als de moslims toen hadden gewonnen, dan ‘had de Arabische vloot misschien wel zonder zeestrijd de monding van de Thames kunnen binnenvaren. Misschien zou dan de interpretatie van de koran worden onderwezen in Oxford en op de preekstoel zou de heiligheid en de waarheid van de openbaringen van Mohammed worden onderwezen aan een gecastreerde bevolking.’
Toch zou Gibbon volgens de hedendaagse historicus Muqtedar Khan, in een commentaar op een aantal moskeeën in Oxford en het Oxford Centre for Islamic Studies, ‘nog verbaasd hebben gestaan door de les dat een militaire overwinning nog niet hoeft te betekenen dat een beschaving zich niet kan ontwikkelen. De mondialisering van de islam is niet belemmerd door de materiële en militaire zwakte van de islamitische wereld’.
Er zijn enkele oppervlakkige overeenkomsten tussen de situatie in West-Europa van nu en die in de 5de eeuw, toen een decadente beschaving onder de voet werd gelopen door de barbaren. De bevolkingstrek die we nu meemaken, is de grootste en snelste in de menselijke geschiedenis. In Europa is alleen de grote Volksverhuizing van vlak na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk vergelijkingsmateriaal. Maar we hebben nu communicatie- en transportmiddelen waardoor mensen binnen enkele uren naar waar dan ook kunnen reizen, en media die mensen laten zien hoe veel beter het leven elders is. Bovendien hadden de Romeinen geen mensenrechtenadvocaten die predikten dat miljoenen buitenstaanders in hun land moesten worden toegelaten.
In sommige opzichten gaat wat er nu gebeurt nog verder dan de val van het Romeinse Rijk. Nooit eerder in de menselijke geschiedenis heeft een etnische groep vrijwillig andere etnische groepen gefinancierd om hun vreemde cultuur te verbreiden op eigen grondgebied, ten koste van de eigen bevolking. Autochtone Europeanen betalen mensen die hen openlijk hun vijandschap verklaren om onze beschaving af te breken en ze moeten dat ook nog prijzen als tolerant gedrag. Dat gebeurt tegen de achtergrond van gebroken gezinnen, sociale pathologieën, wijdverbreid drugsmisbruik en razendsnel stijgende criminaliteitscijfers. Ondertussen zijn wij dure Gucci-tasjes aan het kopen en kijken we naar naakte mensen die op televisie vreemde dingen doen in reality-programma’s.
Misschien komt er ooit iemand die de Geschiedenis van de Neergang en Val van West-Europa (of de Westerse Beschaving) zal schrijven. Gibbon weet de val van het Romeinse Rijk in de 5de eeuw aan het oprukkende christendom vanaf de 4de eeuw, of al eerder. Maar de ineenstorting van de West-Europese samenleving van de 21ste eeuw werd voorafgegaan door het terugtrekken van het Christendom in de 20ste eeuw, of al eerder. Er zit een vreemd soort ironie in deze historische symmetrie. De heer Gibbon zou verbaasd hebben gestaan.