Heb je islam-gerelateerde vragen over familie, vrienden en geliefden? Word je geconfronteerd met een moeilijke situatie, en zou je graag een advies willen?
Stel je vraag aan tante Latifa!
Hoe multicultureel is het multiculturalisme? - Olivier Boehme
Het rapport-Van San en de heisa rond het migrantenstemrecht brachten dé vraag waarrond het allemaal draait weer ter tafel: welke kant moet het op met de multiculturele samenleving? Door het uitblijven van duidelijke stellingnamen door de opinies van het democratische midden werd aan de extremisten van rechts én links de kans gegeven dit thema te monopoliseren en zo de discussie erover nog moeilijker en riskanter te maken dan ze al was. De liberalen hebben links laten komen met zijn eis voor het migrantenstemrecht en eens het discussieterrein bezet konden ze er nog alleen een 'nee' tegenover plaatsen. Het dossier zal echter blijven terugkeren en daarom is een eigen positief project van liberaal karakter het enige antwoord dat perspectieven biedt. We moeten niet zozeer tegen iets zijn, als wel voor het burgerschap met zijn vrijheden en verantwoordelijkheden. Alvorens we aan wie dan ook een sleutel geven tot onze democratie dienen we eerst ondubbelzinnig duidelijk te maken hoe die tolerante en veelkleurige samenleving er gaat uitzien, hoe open en begrensd ze moet zijn om ook maar te kunnen bestaan.
In een tijd van politieke verveling en ideologie-moeheid mag het opmerkelijk heten dat één thema alvast de gemoederen heftig kan doen oplaaien en vurige discussies kan uitlokken. Het is niet meer bij wijze van vrijblijvend tijdverdrijf dat de multiculturele samenleving ter discussie staat. Het gaat om een probleem waaraan niet alleen de toekomst, maar al volop het heden toebehoort. Met deze opmerking, ik ben me ervan bewust, trap ik een poort in ter grootte van de Brandenburger Tor. Toevallig ook al het symbool van de Wende die het einde van de ene politieke en ideologische tegenstelling en het begin van de andere, de ‘culturele’, werd. We worden met onze neus op de vraag gedrukt waar we nu eigenlijk naar toe willen: het ‘eigen volk eerst’ of het multiculturele experiment, het traditionele volkseigene of de ‘wereld mijn dorp’-maatschappij. Het lijkt een heel radicale, zij het ook verscheurende, vraag: het één of het ander. Was het maar zo eenvoudig. Ik vrees dat het allemaal nog een stuk complexer ligt en vooral dat de mainstream in onze samenleving zich daar niet helemaal rekenschap van geeft. Het zou zo comfortabel zijn: kiezen voor de sympathieke club van toleranten en tegen de bruine xenofobe bendes. Een keuze van goed tegen kwaad. Wie kan zich immers niet volmondig aansluiten bij de ‘weldenkende’ consensus over de noodzaak of gewoon de vanzelfsprekendheid van tolerantie? Maar daar begint het pas.
Het begrip 'multicultureel'
Het sleutelwoord in de hele controverse is het alomgehoorde ‘multicultureel’. Even versmaad door de enen als toegejuichd door de anderen word je ermee om de oren geslagen waar je ook gaat of staat, kijkt of luistert. Multicultureel is voor sommigen een toverwoord en voor anderen een scheldwoord. Er is echter iets mee aan de hand: het is ook meer en meer een loperwoord geworden. Het lijkt er namelijk sterk op dat maar weinigen er een nauwkeurige definitie van kunnen geven, klaar en duidelijk kunnen stellen wat ze er nu precies mee bedoelen. Iedereen is de term zowat voor eigen gebruik gaan hanteren. En als er al een definitie uit de bus zou komen, is het nog de vraag of alle consequenties die daaruit voortspruiten de haalbaarheid of wenselijkheid van het ene dan wel het andere multiculturele project ook onderschrijven. Zijn de consequenties dan doordacht? Nemen we de term zelf. Het loperwoord ‘multiculturalisme’ past op vele deuren, het kan voor veel, al te veel gebruikt worden. Van zogauw ze een algemene, vage en nietszeggende bepaling overstijgt, loopt de definitie ervan uiteen. Ze gaat van verdraagzaamheid ten aanzien van vreemde gewoontes en zeden tot de vooropstelling van het recht op behoud van de integrale eigenheid van radicaal onvergelijkbare culturen. Het probleem bestaat erin dat met ‘multicultureel’ een begrip of waarde op tafel wordt gegooid dat zelf helemaal niet multicultureel is. Multiculturalisme impliceert, in welke definitie ook, het naast elkaar leven van minstens twee ‘anderen’. ‘Naast’ is dan nog de meest minimalistische samenlevingswijze, want het kan ook door of met elkaar. Maar reeds bij het enkel naast elkaar leven, wanneer twee volkeren of culturen hetzelfde grondgebied delen, is een minimaal criterium nodig, minstens één elementaire regel die dit naast elkaar leven ordent. Ofwel past de ene zich aan aan de regel(s) van de andere ofwel passen beiden zich aan aan een gezamenlijke derde maat, maar zich aanpassen doen ze. Ze geven altijd iets af of nemen iets af, ze kunnen nooit helemaal die andere zijn of laten zijn, een minimum aan vergemeenschappelijking wordt sowieso verondersteld. In het aangeven nu van die regels heeft de Europese cultuur zich de voorbije eeuwen bijzonder actief getoond. Hoeft het Westen dan niets af te geven? De hele westerse geschiedenis is er één van zelfkritiek- en relativering en dat is een onschatbare kwaliteit gebleken. Maar dit mag niet leiden tot zelfvernietiging. Een bekommernis die als een rode draad door mijn uiteenzetting loopt is dat het verschil tussen opbouwende en negatieve kritiek misschien nooit zo essentieel voor het Westen is geweest als nu. Niet enkel de gedachte van multiculturalisme, in al zijn meerduidigheid, is van Europese origine, maar zelf sluit deze gedachte nauw aan bij die van het recht op vrije ontplooiingskansen, gelijkwaardigheid onder alle mensen, gewetensvrijheid, vrijheid van opinie, spreken en schrijven en andere vrijheden. Het gaat kortom over de grondrechten die vanop Europese bodem de wereld zijn ingestuurd, het meest formeel in de achttiende eeuw met de Verklaring van de Rechten van de Mens. De afkondiging van en het respect voor deze rechten tonen heel wat bescheidenheid, namelijk waar erkend wordt dat niemand dé waarheid kan bezitten. De Verklaring van de Rechten van de Mens geven geen inhoudelijke criteria aan, alleen maar formele. Daar kom ik nog op terug. Ook de voorstanders van het multiculturalisme, die er soms het monopolie over claimen, maken gebruik van deze rechten van de mens, hun hele discours steunt erop. In hun respect voor alle ‘anderen’ onderwerpen zij deze en zichzelf (alleen al door het betonen van dit respect) aan een gemeenschappelijk, ‘niet-anders’, criterium. Maar hiermee onderwerpen zij zich eveneens aan een stuk Europees erfgoed. Het multiculturalisme is zelf niet multicultureel.
Meer dan folklore
Indien onder cultuur meer begrepen wordt dan folklore staan we met het omstreden multiculturalisme voor een problematiek die dieper, veel dieper grijpt dan de discussie rond de al dan niet toegestane sjaaltjesdracht door moslimmeisjes op westerse scholen. Gebruiken en gewoontes, exotische recepten, traditionele kleding zijn aspecten die welbeschouwd tot de persoonlijke levenssfeer en keuze behoren en binnen de context van onze westerse tolerantie geen probleem zouden mogen vormen. Wat iemand draagt, eet en wat al niet meer gaat mij niet aan, zolang ik kan dragen, eten enzomeer wat ik wil. Scholen moeten het niet alleen van moslims leren verdragen dat zij zich houden aan een aantal voorschriften van hun godsdienst die toevallig niet in het schoolreglement opgenomen zijn, ook van de eigen, ‘autochtone’ leerlingen krijgen ze immers heel wat weerwerk als ze persoonlijke keuzes die niet het lessenpakket of de goede orde als dusdanig betreffen, willen aantasten. (Al houdt de Franse lekenstaat wél vast aan de volstrekte scheiding van kerk en staat, inclusief de religieuze symbolen op school of elders.) Katholieken en vrijzinnigen hebben het niet van elkaar aanvaard dat de eigen levensbeschouwing beknot werd door de andere, dus hebben ook moslims of wie dan ook recht om te delen in die geest van respect en verdraagzaamheid. Wat ze in deze discussie ook inbrengen, uiteindelijk beroepen alle partijen, die opkomen voor hun recht op eigenheid, zich op een principe dat de basis vormt van wat wij de moderne samenleving noemen, ook al dateert dat concept met zijn principes van minstens tweehonderd jaar geleden. Vrijheid en gelijkheid betekenen dat niemand ‘gelijker’ is om een ander te vertellen hoe hij er moet uitzien, wat hij mag uitrichten en vooral wat hij moet laten. De ervaring met betuttelende systemen, gaande van een welgemeend paternalistisch verzorgingssocialisme tot totalitarisme van allerlei pluimage zonder meer, heeft een allergie veroorzaakt voor al wat nog maar lijkt op bevoogding. Deze reactie is een logische en perfect verdedigbare gevolgtrekking uit een liberaal denken dat respect voor eigen en andermans vrijheid en persoonlijke onaantastbaarheid als basis heeft weten te schuiven onder de westerse samenleving. Dit principe moest bevochten worden op potentaten allerlei die zich hetzij op het goddelijk recht, hetzij op het ‘eigen volk’ of ras, hetzij op de ‘onontkoombare’ dictatuur van het proletariaat of andere tirannieke principes hebben beroepen.
Religie en democratie
Een geduchte en taaie tegenstander van het radicale zelfbeschikkingsrecht van elke eenling heeft dit vrijheidsstreven gevonden in fanatieke en zelfs iets minder fanatieke aanhangers van een religie. Niet dat de liberaal-democratie problemen had of heeft met het geloof aan een God. Dit is privézaak, een volkomen autonome en legitieme keuze van een individu. Een probleem deed zich wel voor waar velen van die gelovigen zelf het niet zo konden vinden met die tolerantie. De anderen, de 'dwalers', tolereren kon misschien nog net, maar zich door hen de wet laten stellen ging hun toch te ver. Bij religieuzen van een bepaalde soort zal je altijd de neiging aantreffen om de eigen boodschap, die een goddelijke en dus onfeilbare is, niet slechts superieur te achten aan andere maar ook als enig aanvaardbare op te leggen aan allen. Voor scherpslijpers kan religie als ze oprecht is en als absoluut wil gelden eigenlijk nooit tot compromissen komen met andersdenkenden zonder afbreuk te doen aan het eigen credo. God vergist zich niet, dat is vreemd aan zijn wezen en dus ook aan het door hem geïnspireerde geloof, zo heet het dan. Van zogauw er wel bereidheid toe bestaat om andere ideeën, in het 'tijdelijke leven' op aarde althans, evenveel bestaansrecht te schenken en er zelfs een gesprek mee aan te gaan, wordt in feite toegegeven dat het eigen ideeëngoed toch niet zo goddelijk, onfeilbaar en onaantastbaar is als wel gedacht of beweerd. Binnen de eigen geloofsgemeenschap zijn de kerkelijke gezagsdragers echter niet bereid ook maar iets af te doen aan de autoriteit van hun gebiedende woord. Kerkelijke leiders van allerlei slag, weze het de paus of de ayatolla, slagen er nog steeds in om miljoenen naar hun pijpen te doen dansen, ook waar het de meest intieme domeinen van het leven betreft. De Rooms Katholieke Kerk, om alleen maar het religieuze systeem het dichtst bij huis te noemen, is er tot op het einde van de twintigste eeuw in geslaagd een structuur te behouden van onvervalst feodaal karakter, zij het dat zij sinds de Tweede Wereldoorlog meer en meer de door haar aanvankelijk vermaledijde democratie is gaan accepteren. Het punt is dat zij zichzelf zou tegenspreken indien ze haar structuur opgaf en de ermee versmolten beslissingswijze en intransigente attitude. Want als God zich werkelijk geopenbaard heeft, moeten alle aardse stemmen zwijgen. Een geopenbaarde religie, dus niet één of ander vaag religieus gevoel of pantheïsme, is wezenlijk ongeschikt om democratisch te functioneren, zoals een specifiek katholieke benadering van wetenschap al evenzeer een contradictio in terminis vormt. Onbevooroordeelde wetenschap en gedogmatiseerd geloof zijn onverzoenbaar. Op het gevaar af in al te voor de hand liggende herhalingen te vervallen, wil ik niet verder ingaan op wat het verband tussen democratie en strikt geloof in een wel heel scherp daglicht heeft geplaatst: 11 september 2001. Wilden de door de Franse Revolutie nu niet bepaald zachtzinnig aangepakte katholieke gelovigen overleven binnen de nieuwe liberale maatschappij, dan moesten ze gebruik maken van die principes waartegen ze gekant waren. De vrijheid van vereniging en geweten werd benut om een eigen 'getto' uit te bouwen, een katholieke zuil waarbinnen de gelovige gemeenschap zich veilig en sterk kon voelen tegenover de 'heidenen' rondom. Als het aan vele katholieken had gelegen waren de moderne vrijheden er nooit gekomen, maar deze lieten wel toe dat zijzelf hun leven konden inrichten zoals zij dat wilden. Men kan er trouwens niet omheen dat de invloed van het gelovige element al bij al groot gebleven is in een staat als de onze: als de Kerk het nodig acht één of andere religieuze feestdag te vieren dan vieren de anderen willen nillens (en natuurlijk willen de meesten wel, een vrije dag is immers altijd meegenomen) steevast mee. In elk geval werden de verschillen in denkbeelden en emoties overkoepeld door formele principes die de samenleving van al die heterogene elementen mogelijk heeft gemaakt. Daarmee zijn we terug aanbeland bij de kern van ons betoog. Deze formele principes maken in wezenlijke zin de cultuur uit, zij stellen de voorwaarden waaronder samenleven mogelijk is, zij vormen de krijtlijnen waarbinnen ieder zich kan bewegen in het grote spel, zij maken de moraal uit die nog overgebleven is na verschillende secularisatiegolven en volgens dewelke ieder zich van kindsafaan leert te gedragen. Er wordt wel gesteld dat het liberale, democratische denken nooit geboren had kunnen worden indien er niet al een christelijk-humanistische traditie aanwezig was geweest. Daarmee kan echter alleen op die christenen gedoeld worden die God en Christus in humanistische, tolerante en mededogende zin hebben willen begrijpen, niet op die elementen die tot op vandaag een autoritaire en wrekende God de Vader boven een verdorven mensheid projecteren. Het gaat bij die humanistisch-christelijke voorlopers slechts om een bepaalde interpretatie van de judeo-christelijke erfenis. Zo zijn de Amerikanen er wel in geslaagd democratie en geloof niet alleen te verzoenen, maar zelfs innig met elkaar te verstrengelen. Hun politieke systeem is gegroeid uit de wens van talrijke protestantse dissidente groepen ongestoord te kunnen leven en laten leven. Hun nadruk op het eigen geweten en de inzichten van protestanten als John Locke over de onzekerheid van de mens over 'de' waarheid, leidde - in principe althans - naar een respect voor ieders gezindheid. De gelovigen die in hun trouw aan de Messias genoeg relativering aan de dag kunnen leggen om die trouw niet al te letterlijk op te vatten en precies de baan vrij te houden voor begrip tegenover andersdenkenden zijn de enigen met wie samen te leven valt. Het zijn de gelovigen die niet té strikt geloven. Daarin bestaat de paradox van alle religies: slechts in de mate waarin ze zichzelf niet té ernstig nemen zijn ze leefbaar in een heterogene wereld. De ongerijmdheden waarin een gelovige zich zoal verstrikken kan, vormen echter niet het voorwerp van dit betoog. Maar een relevant facet van dit thema is wel dat alleen een zich relativerend religieus systeem, één dus dat dezelfde spelregels accepteert als de anderen, aanvaardbaar is, wil er van een democratische samenleving sprake zijn. De totalitaire aanspraken, inherent aan elke scherp geformuleerde en beleefde religie, die niet werden aanvaard van een stroming die zo diep ingebed is in de westerse cultuur, hoeft dus ook niet te worden geaccepteerd van een geloof van buiten die traditie en zich aandienend op een ogenblik dat de aanspraken van het christendom zijn ingedamd. De islamitische godsdienst van de Noord-Afrikaanse en Turkse immigranten die zich in onze gewesten gevestigd hebben, is een waardensysteem dat, als het zichzelf te ernstig neemt en als het te scherp gesteld wordt, moet botsen met datgene wat vastgelegd werd in de constituties, wordt gedragen in de politieke cultuur en beleefd in het dagdagelijkse gedrag van het Westen. De vrijwaring tegen elke prijs van de rechten en regels die gericht zijn op de zelfbeschikking van elk individu kunnen niet samengaan met die voorschriften uit de Koran (net zoals uit de Bijbel), of de eenzijdige interpretatie ervan, die daar tegenin gaan. De plaats en rol die de vrouw toegewezen krijgt in de moslimcultuur kan al wie begaan is met de emancipatie van de vrouw in het Westen onmogelijk als zelfs maar bespreekbaar voorkomen. De Islam dient blijkbaar, net zoals het christendom indertijd, eerst op één of andere manier geplooid of versneden te worden om een plaatsje te verwerven als één levenswijze tussen andere in de westerse cultuur.
Tolerantie en haar normen
De hevigste multiculturalisten zijn immers doorgaans ook voorstanders van mensenrechten, beschouwen zichzelf niet zelden als erfgenamen van contestatiebewegingen die de zelfgenoegzame samenleving ook in voorbije decennia een nieuwe en meer waarachtige zin voor democratie wilden bijbrengen. Daarbij hebben ze zich geplaatst, bewust of niet, in een lijn die heel westers, verlicht en liberaal kan genoemd worden. De houding van waaruit zij, volkomen terecht, respect eisen, kan hen onmogelijk alles van om het even welke vreemde cultuur doen accepteren. Ook deze ‘anderen’ moeten zich voor hen inpassen in een model, een ideaal. En dat is westers. Wanneer zij er bijvoorbeeld op wijzen dat de interpretatie van de Koran lang niet altijd zo streng hoeft te zijn en er ook heel ‘liberale’ tradities binnen de islam-cultuur bestaan, dan bevestigen zij precies wat ik hier betoog: ook het vreemde wordt alleen begrepen en omhelsd vanuit het referentiekader van de ‘begrijpende’. Als we wijzen op ondermeer de tolerantie en verfijnde cultuur die ook binnen de Islam aanwezig zijn en op de grote cultuurhistorische rol die de moslimwereld gespeeld heeft, dan ook zijn we volop bezig met het voor ons niet-vreemde bij de anderen. We spieden bij hen voortdurend naar het gelijksoortige, ook wanneer dat een andere verpakking draagt. De abrahamische culturen - jodendom, christendom en islam - en wat eruit is voortgekomen delen heel wat gemeenschappelijke humanistische waarden, maar het heeft geen zin rond de hete brij van de mogelijk wezenlijke verschillen te draaien. Laten we het eens heel concreet maken. Indien de ouders van een moslim-meisje zouden beslissen met wie ze een huwelijk heeft aan te gaan zonder haar daarin te kennen, zou die jonge vrouw in onze samenleving zich kunnen beroepen op haar zelfbeschikkingsrecht. Dat zou ze zelfs juridisch kunnen afdwingen. Twee principes, twee systemen moeten hier dus botsen. Er wordt een keuze gemaakt tussen de islamitische wetten en die van het Westen en de overheid zal desnoods tussenbeide moeten komen om de de ene met miskenning van de andere te doen naleven. De onvergelijkbaarheid van beide opvattingen dwingt tot aanpassing van één ervan. Buigt de Belgische rechter voor de moslimvader of omgekeerd? Er wordt hoe dan ook gekozen en aangepast. En zelfs de voorstander van radicaal multiculturalisme kan het niet anders willen wanneer het individuele geluk van één van zijn medemensen hem ter harte gaat. Ook wanneer daarmee het geluk van de anderen, die hun zin hadden willen doordrijven, verstoord wordt. Zo kan tevens de bescherming van minderheden die wij overeenkomstig onze opvatting van menselijke waardigheid willen integreren in de samenleving, neem de vele homosexuele mannen en vrouwen die al te lang zijn buitengesloten, het noodzakelijk maken andere minderheden, zoals religies die de aanvaarding van deze laatsten ondenkbaar achten, beperkingen op te leggen. De uitlatingen van de Rotterdamse imam in mei 2001 over homosexualiteit als een ziekte en bedreiging voor jeugd en samenleving hebben terecht de grote verontwaardiging gewekt van de homo- én de politieke wereld. Een dergelijke aanval in omgekeerde richting zou even verwerpelijk zijn. Niemand hoort de hem toegemeten vrijheid en ontplooiingskansen te gebruiken als een wapen tegen anderen. De kwestie draaide immers niet alleen rond dergelijke uitspraken op zich maar ook rond het opruiende effect dat ze bij moslim-jongeren hadden. Blijkens een rapport van de Nederlandse staatsveiligheid waren die westerse waarden en verhoudingen onvoldoende bij dit deel van de jeugd verinnerlijkt. Dezelfde tolerantie die ons nader brengt tot mensen met andere opvattingen kan ons tevens van hen doen afstand nemen wanneer ze onze houding niet beantwoorden met evenveel respect. Van tijd tot tijd leggen we vanuit ons eigen begrip van tolerantie onze eigen keuze op aan degenen die zo hun eigen denkbeelden koesteren over wat de algemene normen zouden moeten zijn, daar ontkomen we niet aan. Het is dan ook pijnlijk te moeten vaststellen dat zo'n incident ook vanuit christelijke hoek nog wordt aangegrepen om het liberale Westen voor te houden dat het met zijn secularisatie het recht heeft verloren gelovigen zijn wil op te leggen. (P.A. van Gennip, 'De grondrechten van de imam', in Streven, juli-augustus 2001, pp. 634-640.) Voor een goed begrip: het gaat hier niet om een hetze tegen de islam, maar wel om de stelling dat binnen een liberaal referentiekader niet alles vrijstaat. Hoe dan, zou een verwoed aanhanger van het onvoorwaardelijke multiculturalisme verontwaardigd moeten vragen, behoren dergelijke praktijken dan niet tot zijn cultuur en horen we niet uit te gaan van de principiële evenwaardigheid van alle culturen met al hun eigenaardigheden? Stelt hij deze vraag niet dan is hij niet radicaal multicultureel of (wat hetzelfde is) cultuur- en waarden-relativerend. Dan gaat ook hij uit van een hiërarchie in waarden en houdt ook hij het westerse humanisme als wegwijzer voor aan onze uitheemse medemens. Stelt hij de vraag wel dan zou hij met zijn pleidooi voor tolerantie wel eens verstrikt kunnen raken in een allerbevreemdendste paradox. Zo wordt tegenover het koloniale verleden van het Westen vanuit multicultureel standpunt niet zelden een dubbelzinnig standpunt ingenomen. Want dat het overwegend opportunistisch doel en de middelen van het Westers imperialisme in het verleden vandaag vanzelfsprekend onaanvaardbaar worden bevonden, geeft nog geen uitsluitsel over de wenselijkheid van het openstellen van die uitheemse culturen voor westerse waarden. Soms hoor je in dat verband wel vreemde redeneringen: de ‘bange, blanke man’ mag zich vooral niet opsluiten in zichzelf - een goed idee - maar het openen van vreemde culturen in Afrika, Azië, Amerika en Oceanië wordt betreurd. Ja natuurlijk, de methodes die daarbij gebruikt werden doen de haren ten berge rijzen, maar het punt is of we ‘le noble sauvage’ van toen ook zo nobel zouden vinden moesten we er ons volledig rekenschap van geven wat het leven onder hen kon inhouden. De zelfverklaarde kampioenen van het multiculturalisme tonen zich even belerend als de missiepaters en -zusters voorheen als ze voor bijvoorbeeld Kongo democratie wensen en zijn dictators aanklagen. Doen ze dat niet, zoals toen het bon ton was om te beweren dat Afrika nu eenmaal een eigen politieke cultuur had met zijn chefs en clans, dan gedragen ze zich beangstigend relativistisch en zelfs een beetje schizofreen. Maar als Afrika nog ver van ons knusse bed kan gesitueerd worden (door wie zo kortzichtig is om dat te willen) dan kan dat niet met de in het Westen aanwezige vreemde gemeenschappen, de moslims om maar één, zij het niet de onbelangrijkste groep te noemen. De liberale moslim - en geen twijfel erover dat die bestaat - zet ook zijn geloof tussen haakjes wanneer hij zich beijvert zijn westerse of andere gesprekspartners gerust te stellen dat die Koran, hoe heilig het boek voor hem ook is, allerminst naar de letter moet worden gevolgd. Door deze haakjes te plaatsen erkent hij impliciet dat iets nog heiliger is voor hem: dezelfde principes die wij tweehonderd jaar geleden voor het eerst ondubbelzinnig geproclameerd hebben. Of hij deze principes nu langs dezelfde bron heeft ontvangen of niet, dat doet er niet toe. Slechts wanneer hij er zijn gehechtheid aan toont is een gesprek met zijn westerse buur mogelijk. Een welbegrepen multiculturalisme is immers geen simpelweg naast elkaar leven van meerdere culturen. Vooraleer elk de ander diens gebruiken en levensstijl toestaat, is er al een hartig woordje gesproken. Vooraleer de vertegenwoordigers van verschillende waardensystemen de deur van dezelfde woonplaats binnengaan of de ene de andere de toegang daartoe verleent, hebben zij zich er al van verzekerd niet van mening te verschillen over de behuizing waarbinnen dit samenleven moet plaats hebben. Voortdurend leggen de verschillende partners elkaar beperkingen en voorwaarden op en in het Westen kunnen, mogen wij met niets minder genoegen nemen dan met de afpalingen zoals neergezet door de traditie van humanisme en Verlichting. De geëngageerde multiculturalist doet niets anders als hij zich inzet voor gelijke kansen voor de nieuwe landgenoten. Windt hij zich op over het ontbreken hiervan en eist hij tegelijk dat de Islam of een andere levensbeschouwing onverkort zijn gebruiken en bepalingen moet kunnen blijven handhaven dan zou hij zichzelf op pijnlijke wijze tegenspreken. Of: hoe je door overmatige tolerantie hoogst intolerant kan worden. De tolerantie kan immers nooit zover gevoerd worden dat de basis waarop ze zelf steunt onderuit wordt gehaald. De kern van niet-westers, misschien wel westers-vijandige stromingen mag ook voor hem niet blijven bestaan, want het multiculturalisme is zelf door en door westers. Een minimale maar wezenlijke homogeniteit, een continuum waarin de verschillende elementen juist een eigen plaats kunnen innemen, wordt ook verondersteld voor een democratische samenleving.
Homogeniteit en verscheidenheid
Laten we echter over één ding geen misverstand in het leven roepen: deze homogeniteit mag nooit vervallen in het soort van volkssubstantialisme, of andere eng omschreven entiteiten met ‘eeuwige’ of ‘onmiskenbare’ eigen karaktertrekken, zoals deze eeuw nog heeft laten zien. De formele homogeniteit waar we hier op doelen, heeft met deze laatste uitwassen helemaal geen uitstaans, kan ze zelfs bestrijden en onmogelijk maken. Merkwaardig is wel dat in reactie op die toestanden vele identiteiten, zoals nationalismen, in vraag werden gesteld, maar dat tegelijk ook het Eurocentrisme werd bestreden door een nieuwe aandacht voor allerlei tot dan toe onderdrukte of vergeten identiteiten. Het recht om anders te zijn werd opgeëist samen met het recht het ene anders-zijn net zo vrij en vlot weer in te wisselen met een andere identiteit. Een travestie der identiteiten. Terecht klinkt protest tegen de stigmatisering van mensen als onderdelen van bepaalde groepen in plaats dat hun persoonlijke doen en laten wordt beoordeeld. Maar soms gaat het tegelijk hand in hand met de afwijzing van hun aansluiten als individuen bij een grotere civil society, omdat ze nu eenmaal anders zijn en daar ook recht toe hebben. Een onderzoek naar het al of niet reële criminele gedrag van een bepaalde ethnisch omschreven jongerenpopulatie, precies ondernomen om ze in de toekomst te kunnen laten opgaan in deze burgermaatschappij met al haar kansen, wordt dan weer in heilige verontwaardiging van de hand gewezen. Diezelfde mensen positief discrimineren omdat ze deel uitmaken van een groep (waartoe je ze eerst niet mocht herleiden) moet wel kunnen. Als een vader de Marrokaanse vriend van zijn dochter niet over de vloer wil hebben is hij een racist, maar het veto van Marrokaanse ouders tegen een niet-islamitische schoondochter zou begrip verdienen gezien hun culturele en religieuse achtergrond. Heel verwarrend allemaal. De Amerikaanse historicus Arthur Schlesinger, die ondermeer ook optrad als adviseur van John F. Kennedy tijdens diens presidentschap, heeft er zich over verwonderd hoe er meer en meer een Amerika van de minderheden werd gebouwd en minder en minder één waarin consensus rond doel en inrichting van de Amerikaanse democratie centraal stond. Elk van die minderheden koestert haar eigen 'founding myths', haar eigen slachtofferverhaal van onderdrukking en van de daarop volgende ontvoogdingsstrijd. Elk celebreert haar eigen helden. De Vlaamse Beweging, een fenomeen dicht bij huis, blijft een waarschuwend voorbeeld hoe een legitieme emanciepatiebeweging juist door de cultivering van de slachtofferrol op nefaste zijsporen terecht kan komen. Is dit de toekomst van alle minderheden, particuliere groepen en groepjes of nemen ze zichzelf niet te ernstig zoals de liberale gelovigen? Beter is het dan ook om te vertrekken van het universele burgerschap als het belangrijkste politieke en maatschappelijke referentiekader en met een al te zwevend en vrijblijvend identiteitendiscours niet in inconsistenties te belanden noch ongewild het racisme in de kaart te spelen. Dit staat, zoals ik zal trachten aan te tonen, dichter bij het radicale multiculturalismedenken dan de aanhangers hiervan willen geweten hebben. Zoals jeans en cola mij niet Amerikaans maken, zo ben ik wel ontegenzeggelijk westers door mijn denkpatroon. (Dat heeft Samuel Huntington in zijn omstreden The clash of civilizations and the remaking of the world order uit 1997 terecht opgemerkt, al deel ik geenszins al zijn andere opvattingen en conclusies.) Men is geen moslim door de kleding die men draagt of het eten dat men eet, maar het denkpatroon dat iemand beheerst, beslist daarover. De jaarlijkse portie exotisme die ontelbare vakantiegangers zich met hun vakantiegeld veroorloven doet hun al dat vreemde wel aardig en intrigerend voorkomen, maar begrijpen ze het ook, internaliseren zij dat alles? Zijn zij bereid dit in zoverre te aanvaarden dat het hun eigen levens- en denkpatronen diepgaand zou kunnen raken? Of stappen zij er even snel weer uit als uit het vliegtuig, de auto of bus die hen daar gebracht heeft? Zou het voor hen ook leefbaar zijn als de wanden van comfort en glas die hotel en touringcar hen bieden, wegvielen of wanneer het al gedurfde sprongetje in het vreemde niet vergezeld ging van het bewustzijn van een zekere terugkeer? Het punt is dat de westerling niet al het vreemde even leefbaar moet vinden. Hij zou zich onverdraaglijk onverschillig tonen moest hij alles met de mantel van het welwillende begrijpen bedekken. Zijn eigen achtergrond kan hem tot verontwaardiging brengen en tot actie drijven. De extreem-rechtse internationale van xenofobie en rassenhaat plaatst zich op die manier juist buiten het westerse erfgoed waarvan het de behoeder pretendeert te zijn. In naam van Europa en zijn eigen cultuur spreken kan niet wanneer daarmee het ‘doen oprotten’ van de allochtone bevolking wordt nagestreefd. Wie discrimineert en uitsluit op basis van ras, huidskleur, afkomst, verraadt de kern van waar het die westerse culturele eigenheid precies om gaat. Rechts-extremisten zijn zelf een vreemd element in de minimale maar wezenlijke formele homogeniteit van de democratie, een ongenietbare dissonant in de klankrijkdom die een samenleving bestaande uit de meest verscheiden elementen op humanistische grondslag zou kunnen bieden. Zo hebben de ultra’s van de conservatieve zijde meer gemeen met de fundamentalisten van andere levensbeschouwingen dan ze zelf willen inzien. Op basis van hetzelfde voorbehoud dat tegen een weliswaar goedbedoeld maar verkeerd begrepen en te absoluut gesteld multiculturalisme moet worden uitgesproken, kan het verkrampte streven om het behoud van de culturele of volkse ‘eigenheid’ alleen maar worden verworpen. Die 'volkse eigenheid', voorzover ze al scherp afgelijnd zou kunnen worden, is in feite niets anders dan een in zichzelf besloten culturele sfeer die principieel onvergelijkbaar is (of zich als zodanig presenteert) met andere en die niet alleen zelf onaangetast wil blijven, maar ook in zichzelf geen enkele aansporing vindt om een universele mensheid en menselijkheid die het particuliere overstijgt te erkennen. De ‘eigen volk eerst’-ideologie stevent af op het ongecompliceerd, dat wil zeggen onberoerd, naast elkaar leven van culturen als vreemden voor elkaar. De omvorming van de wereld tot een cultureel en menselijk continuum komt niet aan de orde. Maar ook dit: het kermen van vertrapten kan door de nodige afstand onze oren niet bereiken. Het rechtse radicalisme is in weerwil van haar pleidooi voor de restauratie van de oude waarden in essentie waarden-loos of minstens waarden-relatief in zijn afwijzing van elk intercultureel samenlevingsproject. De vreemdeling, de ‘andere’, hoeft bij de toegang helemaal niets van zichzelf af te staan en een minimale consenus te onderschrijven, hij komt er gewoon niet in, terwijl de deuren van de uitgang wijd open gesperd staan. Elke in zichzelf besloten cultuur eist voor zichzelf een uniek statuut op op basis van een even unieke historische ontwikkeling. Volgens het historisme zijn elk fenomeen en elk mens slechts bepaald door de tijd waartoe ze behoren en bestaat er boven de afzonderlijke tijdperken en culturen geen ander richtsnoer. Het verleden, het feitelijke historische verloop valt op die manier als het ware samen met het wezen van elke cultuur, een cultuur begrijpen is zijn verleden begrijpen. Deze zienswijze is nauw verwant aan cultuurrelativisme, ethnicisme en nationalisme. Ze heeft zelf al een eigen geschiedenis achter de rug, zoals het Duitse verleden (maar niet alleen dat) pijnlijk illustreert. Niet alleen dreigt vanuit dergelijke redenering voor elke bereidheid tot vergelijking met anderen en een kritische bevraging van dat verleden, of zelfs twijfel over het werkelijke bestaan daarvan, weinig of geen ruimte over te blijven. Bovendien ontspoort een dergelijke gedachtegang wanneer hij in al zijn radicaliteit zou worden doorgetrokken in nihilisme: op basis van de ‘eigenheid’ van elk leefsysteem en zijn eigen, unieke historische ontwikkeling wordt elk waardenoordeel van buitenaf onmogelijk. Elke transcenderende waardering wordt afgewezen met de verwijzing naar het historisme, dat nog als enig referentiekader overblijft. Cultureel autisme ontaardt in ethische idiotie. Is dialoog mogelijk met andere culturen, nadat ze de toegang zijn doorgegaan, de humanistisch-verlichte democratie kan eenvoudigweg niet spreken met lui die er een raciaal of volks-substantieel discours op na houden, al of niet gelieerd met christelijk of zelfs (zoals bij sommige aanhangers van de zogenaamde conservatieve revolutie) neoheidens fundamentalisme. Het concept van de menselijke vrijheid om het eigen bestaan voortdurend zelf vorm te geven is ten enenmale onverenigbaar met gedachtegoed dat de mens de mogelijkheid of zelfs het recht op dit eigen ontwerp ontzegt en hem wil onderwerpen aan de één of andere soort hem overstijgende orde. Dat elk zich te houden heeft aan een minimaal kader van geboden en verboden, mogelijkheden én verantwoordelijkheden is hier genoeg betoogd, maar staat in geen vergelijkbare relatie tot strikt fundamentalisme van welk slag dan ook dat iedereen autoritair zijn plaats wil toewijzen in dit leven. Wie bovendien een in zijn ogen goed en wel afgebakend ‘eigen volk’, een statisch blok met gepolijste vlakken en al of niet scherpe hoeken bedreigd acht door vreemde invloeden kan al snel de neiging gaan vertonen om deze uit te drijven of zelfs te vernietigen. Kleinburgerlijke engheid en een door existentiële angst geïnspireerde, maar misplaatste hang naar zekerheid en zuiverheid mondt in niets anders uit dan steriliteit en totalitarisme. En hiertegen hebben in het Westen nu juist keer op keer machtige protesten weerklonken.
Getal en kwaliteit
De westerse cultuur blijft intussen ontegensprekelijk geconfronteerd met vreemde gasten met wie zij niet zomaar kan gaan samenleven, zoals zij ook niet met ons. Deze confrontatie drukt ons met de neus op de noodzaak om onszelf te definiëren en dat is niet simpel in tijden waarin het besef meer en meer veld heeft gewonnen dat wat we vroeger onze identiteit plachten te noemen, voor een deel een schaamlapje was om onze onwetendheid hierover te versluieren. Want de waarschuwing voor een autisme als gevolg van een tot het uiterste gedreven opgaan in het eigene mag niet verhullen dat elke benadering van de ene cultuur door een andere vasthangt aan bepaalde vooropstellingen. Precies omdat het Westen niet waardenneutraal kan omgaan met anderen, zoals de anderen dat wellicht ook niet kunnen met wat voor hen vreemd is, kan het ook in de toenadering tot anderen niet achter zijn schaduw treden en al evenmin anders kijken dan met de eigen ogen. Maar het bewustzijn hiervan kan veel verduidelijken en de wil doen vormen wel een afbakening van en rangorde in principes te maken, maar tegelijk ook deze afpaling altijd tot het uiterst mogelijke ruim te houden om elk zijn resterende eigenheid zoveel mogelijk te gunnen. Ook als een humanistisch filosoof als Montaigne een probleem langs alle kanten wilde bekijken en daarbij heel wat relativisme aan de dag legde, dan was zijn pleidooi voor tolerantie, die zo'n aanpak moest mogelijk maken, zelf niet relatief. Tegenover de totalitaire systemen en zingevingen uit het verleden, waarvan de meeste religies een voorbeeld zijn, en het in zichzelf besloten en tot nihilisme neigende historisme is het nodig een minimaal waardenkader te handhaven dat op zijn manier misschien ook wel een 'systeem' mag uitmaken. We zijn het gewoon vanuit het marktdenken economie als een zuiver kwantitatief bepaald proces te beschouwen: het kwantum van de marktwaarde van een dienst of goed is het resultaat van het op elkaar inspelen van het kwantum van de vraag en het kwantum van het aanbod. In politieke aangelegenheden vindt eenzelfde redenering plaats: of een voorstel of programma het haalt of niet is alleen afhankelijk van het aantal stemmen dat daarvoor gevonden kan worden, het zoeken naar een voldoende kwantum of meerderheid dus. Lijnrecht tegenover een dergelijke kwantitatieve benadering staat de kwalitatieve of substantialistische: de intrinsieke waarde van iets is onafhankelijk van de kwantitatief bepaalde marktwaarde (zij het op de economische of politieke markt) of op zijn minst sommige zaken zijn onttrokken aan dit mechanisme. Het politiek wenselijke of ‘ware’ valt in deze optiek niet aan de hand van toevallige meerderheden vast te stellen. Hoewel het Westen vandaag dus terecht een strak 'substantialistisch' denken afwijst, omdat ook alle grote verhalen (inclusief een te schematiserend rationalisme) onhoudbaar zijn gebleken, kunnen we er niet omheen een beperkte mate van transcendentie aan te houden. Slechts in het kader van een kwaliteit heeft het kwantitatieve zin. De tegenstelling kwantitatief versus kwalitatief, formeel versus substantieel mag er niet toe verleiden de keuze al te simplistisch te herleiden tot een ‘of-of’. Het heeft wel degelijk zin van fundamentele beperkingen aan de macht van getal en meerderheid te spreken: vooraleer mensen van verschillende gezindheden gaan stemmen hebben ze namelijk vooraf afgesproken hoe ze gaan tellen en wat ze wel en wat niet kunnen tellen. De noodzaak van dergelijke minimale consensus beperkt zich niet tot het parlementaire halfrond. Het universalisme gaat uit van particuliere heterogeniteit binnen een mondiale homogeniteit waar het minimale en essentiële waarden betreft zowel op gebied van ethiek, politiek als economie: identiteit als keuzevrijheid met gemeenschappelijke spelregels en maatstaven, die die vrijheid voor elk individu juist zoveel mogelijk ruimte geven. Radicaal multiculturalisme en extreem-rechts ethnisch denken daarentegen vertrekken van een particuliere homogeniteit in een mondiale heterogeniteit: gestroomlijnde identiteiten afgescheiden van elkaar.
Een ethisch geschraagde openheid maakt allicht de diepste kern uit van de Europese of westerse eigenheid. Daarom komt het voorstel van Jürgen Habermas, een fakkeldrager van de Verlichting in onze tijd, om een Europese grondwet aan te nemen (J. Habermas, 'Waarom heeft Europa een grondwet nodig?', in: De Standaard der Letteren, 9 augustus 2001, pp. 2-3) niets te vroeg. Draait de definitie van wie we zijn uit op een negatieve bepaling, zijn we oog in oog met de ‘andere’ tot niet meer in staat dan erachter te komen wie we niet zijn? Als we een positief antwoord willen vinden, komen we nergens anders terecht dan bij datgene wat het spreken over multiculturalisme, het aanvaarden van de andere naast ons eerst mogelijk maakt: onze humanistische, verlichte en democratische erfenis.
Het begrip natie
Onder invloed van de twee Wereldoorlogen, van de nog vrij recente slachtingen en ethnische zuiveringen op de Balkan en andere bloedige conflicten die de waanzinnige twintigste eeuw hebben geteisterd, is het nationalisme in een kwalijk daglicht komen te staan. 'Le nationalisme, c'est la guerre', drukte Mitterand het ooit kernachtig uit. Met dat alles is ook de afstand tot het natiebegrip, de definiëring van een natie, of het aanvoelen van de nood daartoe, gegroeid. De natievorming in Europa en elders ter wereld was een proces van groot naar klein: lokale en regionale entiteiten vergroeiden of werden aaneengesmeed tot grotere gebieden. In de achttiende en negentiende eeuw leverde die evolutie de natiestaat op. Het was niet altijd een lineair proces dat evenmin volledig samenviel met de kronkelige wegen die de democratisering volgde. De Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring in 1776 en de Franse Revolutie in 1789 lieten politieke eenheid en democratie wél samenvallen en stelden de natie gelijk aan burgerschap. In elk van de kleine en grote entiteiten, van stadstaten tot heerlijkheden en koninkrijken, die in dat proces hun plaats hebben gehad, heerste een consensus over wetten, regels, gebruiken en opvattingen. De polis, het publieke domein, het samenleven, uitgebreid of beperkt, al of niet met verregaande impact op wat wij vandaag de persoonlijke levenssfeer noemen, was telkens impliciet of expliciet omschreven. De evolutie met veel vallen en opstaan van de natiestaten en van de volkeren zonder eigen staat naar het verenigde Europa verandert niet veel aan de blijvende noodzaak daartoe. Supranationale ontwikkelingen houden niet in dat het begrip 'natie' meteen betekenisloos is geworden. Ook na het verlaten van het enge nationalisme blijft een consensus over de fundamenten van deze nieuwe Europese politieke gemeenschap, net zoals van andere entiteiten, aan de orde. De verschuiving vindt alleen plaats van de individuele natie naar de ruimere Europese natie. De ethnische en (letterlijk) exclusieve inhoud die sommige staten en bewegingen blijven te geven aan het begrip natie verleidt hen die daar niet voor kiezen al te gemakkelijk ertoe om het begrip maar meteen over boord te gooien. Het zou een grote fout zijn uit het oog te verliezen dat het verenigde Europa meer dan een supermarkt moet zijn en dat haar doel erin bestaat uit te groeien tot een natie, gesteund op minimale, maar daarom niet minder duidelijke politieke ideeën die door alle Europeanen worden gedragen. Dit is een punt dat, hoe evident het ook lijkt, nog steeds niet de aandacht krijgt die het verdient. Een Europese grondwet kan aan een Europees ‘grondwetspatriottisme’ gestalte geven. Met het oog op de migratieproblematiek vandaag is dat op waarden gesteund Europese natiebesef, het bewustzijn dat er samen iets te verdedigen valt, een voorwaarde om aan de notie gastvrijheid een zin te geven en haar mogelijk te maken tot voordeel van alle partijen. Een democratische samenleving kan, niet ondanks maar omwille van haar openheid, nooit zover gaan in haar tolerantie dat ze toestaat dat haar waarden en mogelijkheden tegen haar zelf worden gebruikt. In de Bondsrepubliek Duitsland gold ten gevolge van de ervaringen met extreem-rechts en extreem-links voor en na de Tweede Wereldoorlog het begrip 'bewaffnete Demokratie': het afweren van de extremisten die de democratie wilden gebruiken om haar zelf om zeep te helpen. VoorAmerikanen staat hun vurig beleefde patriottisme gelijk met de gehechtheid aan de constitutie en de instellingen die hun rechten en vrijheden waarborgen. In een land als België wordt sordig en onvoldoende nagedacht over deze belangrijke kwestie. We durven niet meer over identiteit te praten. De snel-belg-wet was een zwaktebod uit slecht geweten. Dit laatste kan alleen maar gedijen omdat we niet beseffen dat er voor zowel nationalisme als leeg relativisme een alternatief bestaat: grensverleggend burgerschap met vrijheden en verplichtingen.
Terecht heeft de uit Syrië afkomstige hoogleraar Internationale Betrekkingen Bassam Tibi de Europeanen op het hart gedrukt eindelijk eens op te houden met het pendelen tussen eurocentrische arrogantie en cultuurrelativistische zelfverloochening (Europa zonder identiteit? De crisis van de multiculturele samenleving, Aartselaar, z.d. (vert.), p. 13). De hang naar een heden ten dage al te modieus postmodernisme kan vervallen in een relativisme dat verdacht veel weg heeft van een radicaal en daarom funest historisme. Die geblaseerdheid, die alles kent en niets meer wil, alles en niets meer begrijpt, niets veroordeelt en alles toestaat, zou op termijn het begrip verdraagzaamheid zelf wel eens betekenisloos kunnen maken. Want om te kunnen verdragen moet je zelf op sterke benen staan.