![]() |
![]() |
| Andere FFI Sites:   Arabisch    Chinees    Duits    Frans    Indonesië    Iran    Italië    Pools    Spaans    Tjechisch |
home FFI-international: Engels FFI-international Forum
|
De Koran in chronologische volgorde. door Peter Louter Volgens de islamitische geschiedenis zou de profeet Mohammed vanaf het jaar 610 tot zijn overlijden in 632 voortdurend openbaringen van Allah hebben ontvangen, die steeds een reactie waren op gebeurtenissen van dat moment.
Volgens de islamitische traditie zijn in deze periode diverse verzen verloren gegaan, terwijl er andere juist zijn bijverzonnen. Maar uiteindelijk is er een verzameling verzen gebundeld die later werden uitgegeven als de koran. De volgorde van de hoofdstukken, aangeduid met het Arabische woord soera's, zijn volgens de islamitische theologie niet bepaald door de volgorde van openbaringen, maar min of meer door de lengte van de soera. De langste hoofdstukken staan voorin in de koran, de kortste achteraan. Hierdoor is er geen chronologische samenhang tussen de hoofdstukken waar te nemen. Het gevolg van deze structuur is dat de koran in feite niet zomaar als historische ontwikkeling te lezen is, maar dat er een toelichting bij nodig is die van elk vers uitlegt in welke context hij werd geopenbaard. Islamgeleerden hebben zich beziggehouden met het vaststellen van de chronologische volgorde waarin de soera's zouden zijn geopenbaard. Er bestaan meerdere resultaten, maar in het algemeen worden de hoofdstukken verdeeld in twee periodes, namelijk van Mekka en Medina. De openbaringen in Mekka dateren van de vroege periode, toen de profeet nog geen aanhang had en op veel verzet stuitte. De latere openbaringen vonden plaats in Medina, na de hidjra, de vlucht uit Mekka. De Mekkaanse profeties zouden om deze reden worden gekenmerkt door een diplomatieke, vredelievende houding. In Medina groeide het aantal volgelingen van Mohammed, en zij vormden een meerderheid; de moslimgemeenschap maakte nu korte mette met iedereen die zich verzette tegen de verspreiding van de islam, wat in de toon van de hoofdstukken wordt weerspiegeld. Voor meer informatie over het tot stand komen van de koran: Hieronder is de koran te lezen in een door veel theologen onderschreven 'chronologische volgorde'.
Het eerste, vetgedrukte getal is het hoofdstuknummer in chronologische volgorde, het tweede geeft de volgorde weer volgens de koran 1 96. Het Geronnen Bloed (Al-Alaq) De strofen een tot vijf zijn de eerste gereveleerde verzen van de Heilige Koran. Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 19 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Verkondig de naam van uw Heer, de Schepper. 2. Die de mens uit geronnen bloed schiep. 3. Verkondig, want uw Heer is de meest Eerbiedwaardige 4. Die (de mens) door middel van de pen onderwees. 5. Hij leerde aan de mens datgene wat deze niet kende, 6. In het geheel niet. Voorwaar, de mens wordt opstandig, 7. Omdat hij zich onafhankelijk denkt. 8. Voorwaar uw terugkeer is tot uw Heer. 9. Hebt gij degelle gezien die verbiedt 10. Wanneer onze dienaar bidt? 11. Zeg mij, als hij de leiding volgt, 12. Of tot rechtvaardigheid maant. 13. Zeg mij, indien hij (de Waarheid) verloochent en zich afwendt. 14. Weet hij niet dat Allah alles ziet? 15. Neen, wanneer hij niet ophoudt, zullen Wij hem zeker bij de haren van zijn voorhoofd grijpen 16. Van dat leugenachtige en schuldige voorhoofd. 17. Laat hij dan zijn raadgevers bij elkaar roepen. 18. Wij zullen ook Onze wachters bijeen brengen. 19. Neen, gehoorzaam hem niet, maar werp u neder en zoek Zijn nabijheid. 2 68. De Pen, de letter N (Al-Qalam, Nun) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 52 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Noen. Bij de pen, en bij hetgeen zij schrijven. 2. Gij zijt, bij de gratie van uw Heer, geen krankzinnige. 3. En voorzeker er is een loon voor u dat niet zal ophouden. 4. En gij staat zeker op hoog zedelijk peil. 5. En gij zult zien en zij (de ongelovigen) zullen ook zien, 6. Wie van u bezeten is. 7. Zeker, uw Heer weet het beste wie van Zijn weg afdwaalt en Hij kent het beste degenen die de leiding volgen. 8. Dus gehoorzaam de loochenaars niet. 9. Zij zouden willen dat gij meegaande waart, dan zouden zij ook meegaande kunnen zijn. 10. En geef geen gehoor aan een verachtelijke eedaflegger, 11. Lasteraar, achterklapper. 12. Tegenhouder van het goede, overtreder, zondaar, 13. Laatdunkend, bovendien een berucht misdadiger, 14. Omdat hij rijkdommen en kinderen bezit. 15. Wanneer Onze woorden aan hem worden voorgedragen, zegt hij: "Fabelen der oudeu." 16. Wij zullen hem op de neus brandmerken. 17. Voorwaar, Wij zullen hen (de ongelovigen) op de proef stellen zoals Wij de eigenaars van een tuin beproefden toen zij zwoeren dat zij zeker het fruit daarvan in de vroege morgen zouden plukken. 18. En zij maakten geen voorbehoud. 19. Toen kwam er van uw Heer een bezoeking over hen, terwijl zij sliepen, 20. Waardoor (de tuin) werd als een gemaaid veld. 21. Toen riepen zij tot elkander in de morgen, 22. Zeggende: "Gaat vroeg naar uw veld indien gij het fruit wilt plukken." 23. En zij gingen fluisterend met elkander op weg. 24. "Laat heden geen arme bij u binnen komen." 25. En zij gingen vroeg in de morgen uit, (denkende) dat zij de macht hadden om het te verhinderen. 26. Maar toen zij de tuin zagen, zeiden zij: "Voorwaar, wij zijn verdwaald! 27. Neen, wij zijn beroofd." 28. De beste onder hen sprak: "Zeide ik niet tot u: 'Waarom looft gij (God) niet?'" 29. Nu riepen zij uit: "Glorie zij U, onze Heer! Voorzeker wij waren onrechtvaardig." 30. Toen gingen zij elkaar beschuldigen. 31. En zeiden: "Wee ons, wij waren inderdaad overtreders. 32. Het kan zijn dat onze Heer ons een betere tuin dan deze zal geven, wij wenden ons tot onze Heer." 33. Zo is de straf (voor dit leven). En voorwaar, de straf van het Hiernamaals zal nog groter zijn, konden zij dit maar begrijpen! 34. Inderdaad, voor de rechtvaardigen zijn er verrukkelijke tuinen bij hun Heer! 35. Zullen Wij dan degenen die zich onderwerpen even als de schuldigen behandelen? 36. Wat is er met u? Hoe oordeelt gij? 37. Hebt gij een Boek waarin gij leest? 38. Dat gij alles waarnaar gij verlangt zult verkrijgen? 39. Of hebt gij enige verdragen met Ons gesloten tot de Dag der Opstanding zodat gij dan alles zult hebben wat gij zult willen? 40. Vraag hun, wie van hen daar borg voor is. 41. Of hebben zij soms deelgenoten? Laten zij dan deze naar voren brengen als zij de waarheid spreken. 42. Op de Dag, waarop men beangstigd wordt, zullen zij geroepen worden te prostreren, maar zij zullen dat niet kunnen doen. 43. Hun ogen zullen terneergeslagen zijn en vernedering zal hen overvallen, want zij werden tot het prostraat Sadjdah geroepen toen hun niets ontbrak (en zij deden het niet). 44. Laat Mij en degenen die deze aankondiging loochenen, alleen. Wij zullen hen stap voor stap (de vernietiging) doen naderen, op een wijze die zij niet kennen. 45. En Ik geef hun uitstel; want Mijn opzet is sterk. 46. Vraagt gij van hen een beloning voor u zelf zodat zij onder schuld gebukt gaan? 47. Of hebben zij kennis van het onzienlijke, zodat zij het kunnen opschrijven? 48. Wacht geduldig op het gebod van uw Heer en wees niet als de man van de vis toen hij (Allah) aanriep terwijl hij misnoegd was. 49. Als een gunst van zijn Heer hem niet had bereikt dan zou hij zeker op een dorre kust geworpen zijn, terwijl hij vernederd werd. 50. Maar zijn Heer verkoos hem en maakte hem tot één der goeden. 51. En de ongelovigen wanneer zij het vermaan horen willen u met hun blikken gaarne ten val brengen; en zij zeggen: "Hij is zeker krankzinnig." 52. Neen, het (Boek) is niets dan een vermaning voor de werelden. 3 73. Gevouwen in Kleding (Al-Mozzammil) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 20 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. O, gij die u omwikkelt! 2. Sta op in de nacht voor korte tijd. 3. De helft er van of minder dan dat. 4. Of maak het iets langer - en zeg de Koran duidelijk en aandachtig op. 5. Waarlijk, Wij dragen u een gewichtig Woord op. 6. Voorwaar, des nachts opstaan is de zekerste weg en geeft het Woord krachtige uitwerking. 7. Gij hebt inderdaad gedurende de dag langdurige bezigheden. 8. Daarom gedenk de naam van uw Heer, en geef u met volle toewijding aan Hem over. 9. Hij is de Heer van het Oosten en het Westen, er is geen andere God naast Hem; neem Hem daarom tot uw Beschermer. 10. En verdraag met geduld alles wat zij (de ongelovigen) zeggen; en verlaat hen op gepaste wijze. 11. En laat Mij alleen met degenen die loochenen, de bezitters van rijkdom en geef hun een wijle uitstel. 12. Voorzeker, bij Ons zijn zware boeien en een laaiend Vuur, 13. En voedsel dat verstikt, en pijnlijke straf. 14. Er zal een Dag komen waarop de aarde en de bergen zullen beven, en de bergen in een hoop mul zand zullen veranderen. 15. Waarlijk, Wij hebben tot u een boodschapper gezonden, die een getuige tegen u is, gelijk Wij een boodschapper tot Pharao zonden. 16. Maar Pharao gehoorzaamde de boodschapper niet, daarom grepen Wij hem met een verschrikkelijke greep aan. 17. Hoe zult gij u, indien gij het ware geloof verwerpt, beveiligen voor de Dag, waarop de kinderen grijze haren zullen krijgen (van schrik). 18. En waarbij de hemel uiteen zi splijten, en Zijn belofte zal worden vervuld. 19. Dit is zeker een vermaning. Dus moge hij die wil, de weg tot zijn Heer inslaan. 20. Waarlijk uw Heer weet dat gij bijna twee-derde van de nacht staat (te bidden), somsdehelft of ook wel een derde er van, en eveneens doet dit een deel van degenen die met u zijn. En Allah bepaalt de maat van dag en nacht. Hij weet, dat gij het niet kunt volhouden, en daarom heeft Hij Zich in barmhartigheid tot u gewend. Zegt dan zoveel van de Koran op als u gemakkelijk valt. Hij weet dat er enigen onder u ziek kunnen zijn, en anderen op reis door het land trekken, zoekende naar Allah's genade, en weer anderen strijdend voor Allah's zaak. Zegt er dus zoveel van (de Koran) op, als u gemakkelijk valt en onderhoudt het gebed, en betaalt de Zakaat, en sluit met Allah een goede lening. En wat goeds gij voor u uitzendt, gij zult betere en grotere beloning bij Allah vinden. En zoekt vergiffenis van Allah, voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Genadevol. 4 74. Iemand die Gebundeld is (Al-Moddassir) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 56 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. O gij die u omhult! 2. Sta op en waarschuw, 3. En verkondig de Grootheid van uw Heer, 4. En reinig uw hart. 5. En vlied de onreinheid. 6. Bewijs geen gunsten om u daardoor te verrijken. 7. En wees geduldig ter wille van uw Heer. 8. Want als de bazuin wordt geblazen, 9. Die Dag zal een moeilijke dag zijn. 10. Niet gemakkelijk voor de ongelovigen. 11. Laat Mij alleen met hem die Ik schiep. 12. Ik heb hem overvloedig bezit gegeven. 13. En zonen die bij hem zijn. 14. En ik verschafte hem elk gemak. 15. Toch verlangt hij dat Ik hem nog meer zal geven. 16. Stellig niet; want hij was vijandig tegenover Onze boodschappen. 17. Hem zal Ik een zware straf opleggen. 18. Ziet! Hij dacht na en hij besloot! 19. Vervloekt zij hij, hoe besloot hij! 20. Nogmaals, vervloekt zij hij! Hoe be sloot hij! 21. Toen keek hij (om zich heen), 22. Daarna fronste hij zijn voorhoofd en keek nors. 23. Dan keerde hij zich om en toonde zich hovaardig. 24. Hij zeide: "Dit is niets dan een nagebootste tovenarij. 25. Dit is slechts het woord van een mens." 26. Weldra zal Ik hem in het Vuur werpen. 27. En wat weet gij wat het Vuur der hel is? 28. Het ontziet niets, noch laat het iets (onverteerd) achter, 29. Het verschroeit het gezicht. 30. Daarover waken er negentien (engelen). 31. En Wij hebben niets dan engelen tot wachters van het Vuur gemaakt. En Wij hebben hun getal niet vastgesteld, dan tot beproeving der ongelovigen, opdat wie het Boek is gegeven zekerheid mogen verkrijgen en dat de gelovigen in geloof mogen toenemen en opdat de mensen van het Boek en de gelovigen niet zullen twijfelen. En dat degenen in wier hart een ziekte is en degenen die ongelovig zijn, mogen zeggen: "Wat bedoelt Allah met deze gelijkenis?" Zo laat Allah dwalen wie Hij wil en leidt wie Hij wil. Niemand kent de legerscharen van uw Heer dan Hij. Dit is niets dan een vermaning voor de mensheid. 32. Neen, bij de maan, 33. En de nacht als zij heengaat 34. En de dageraad wanneer zij gloort, 35. Waarlijk, het is een der grootste tijdingen, 36. Een waarschuwing voor de mensen. 37. Aan degene onder u, die vooruit wenst te gaan of degene die wil achterblijven, 38. Elke ziel is als een pand voor hetgeen zij doet. 39. Doch degenen aan de rechter hand 40. In tuinen (wonende) vragen zij: 41. Aan de schuldigen 42. "Wat heeft u in de hel gebracht?" 43. Zij zullen antwoorden: "Wij behoorden niet tot hen die plachten te bidden. 44. Noch voedden wij de armen. 45. En wij plachten ijdele gesprekken te voeren met hen die ijdele gesprekken voerden. 46. En wij plachten de Dag des Oordeels te loochenen. 47. Totdat de dood ons overviel." 48. De tussenkomst van bemiddelaars zal hen daarom niets baten. 49. Wat scheelt hun dat zij zich van de vermaning afwenden 50. Als bange ezels, 51. Vluchtende voor een leeuw? 52. Neen, ieder van hen wenst dat hem opengeslagen bladzijden zullen worden getoond. 53. Voorwaar, zij vrezen het Hiernamaals niet! 54. Neen, waarlijk, dit is een vermaning. 55. Die wil, trekke er lering uit. 56. Doch zij zullen er geen lering uit trekken tenzij Allah het wil. Hij is Waardig, dat men Hem vreest, en Hij is de Heer der vergiffenis. 5 1. Het Begin (Al-Faatihah) Het Openings Hoofdstuk van de Heilige Koran. Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 7 strofen. 1. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 2. Alle lof zij Allah, de Heer der Werelden. 3. De Barmhartige, de Genadevolle. 4. Meester van de Dag des Oordeels. 5. U alleen aanbidden wij en U alleen smeken wij om hulp. 6. Leid ons op het rechte pad, 7. Het pad dergenen, aan wie Gij gunsten hebt geschonken - niet dat van hen, op wie toorn is nedergedaald, noch dat der dwalenden. 6 111. De Palmvezel, De Vlam (Al-Masad, Al-Lahab) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 5 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. De macht van Aboe Lahab en hijzelf zullen vergaan. 2. Zijn rijkdommen en daden zullen hem niet baten. 3. Weldra zal hij in een laaiend Vuur branden. 4. Ook zijn vrouw, de draagster van brandstof, 5. Om haar hals zal een koord van palmvezels hangen. 7 81. Het Opvouwen (At-Takwier) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 29 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Wanneer de zon wordt omhuld, 2. En wanneer de sterren dof worden, 3. En wanneer de bergen verdwijnen, 4. En wanneer de drachtige kamelen worden verlaten, 5. En wanneer de dieren worden bijeengegaard, 6. En wanneer de zeëen worden geledigd, 7. En wanneer de mensen worden verenigd, 8. En wanneer er over het gedode kind (verantwoording) zal worden gevraagd 9. Voor welke misdaad het gedood werd, 10. En wanneer geschriften worden verspreid, 11. En wanneer de Hemel wordt opengelegd, 12. En wanneer de hel wordt ontstoken, 13. En wanneer het paradijs nabij wordt gebracht, 14. Dan zal ieder ziel weten wat zij heeft voorbereid. 15. En Ik roep tot getuige datgene wat terugkeert, 16. Zijn loop volgt en ondergaat, 17. En de nacht wanneer deze heengaat. 18. En de dageraad als deze aanbreekt. 19. Dat is voorzeker de boodschap van een edele boodschapper, 20. Vol van macht, bevestigd door de Heer van de Troon, 21. Die gehoorzaamd moet worden en vertrouwenswaardig is. 22. En uw metgezel is niet krankzinnig. 23. En hij zag hem (Gabriël) aan de heldere horizon. 24. En hij is geen vrek wat het onzienlijke aangaat. 25. En dit is niet het woord van Satan de vervloekte. 26. Waarheen richt gij u dan? 27. Dit is niets dan een vermaning voor de werelden. 28. Voor hem onder u die oprecht wil wandelen. 29. En gij zult niets willen behalve wat Allah wil, de Heer der Werelden. 8 87. De Allerhoogste (Al-Ala) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 19 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Verheerlijk de Naam van uw Heer, de Allerhoogste. 2. Die schept en vervolmaakt, 3. En Die bepaalt en leidt, 4. En Die het gewas voortbrengt, 5. En het dan doet verdorren. 6. Wij zullen u weldra onderwijzen zodat gij het niet vergeet - 7. Behalve wat Allah wil - Voorwaar, Hij kent het openlijke en het verborgene. 8. En Wij zullen uw weg effenen tot gemak. 9. Maak (anderen) daarom indachtig, voorzeker dit is nuttig. 10. Hij die vreest zal er lering uit trekken; 11. Maar de rampzalige zal zich ervan afwenden, 12. Die het grote Vuur zal binnengaan, 13. Waarin hij noch sterven noch leven zal. 14. Voorzeker, geslaagd is hij die zich loutert. 15. En die de naam van zijn Heer gedenkt en bidt. 16. Maar gij verkiest het leven dezer wereld, 17. Ofschoon het Hiernamaals beter en van langere duur is. 18. Voorzeker, dit is in vroegere geschriften vermeld, 19. De geschriften van Abraham en Mozes. 9 92. De Nacht (Al-Lail) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 21 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Bij de nacht als hij bedekt. 2. En bij de dag wanneer hij schittert, 3. En bij de schepping van man en vrouw. 4. Voorzeker, uw streven is verschillend. 5. Wat hem betreft die geeft en God vreest, 6. En het goede aanvaardt, 7. Wij zullen zijn weg effenen tot welslagen. 8. Maar hij, die vrekkig en onverschillig is, 9. En het beste verwerpt, 10. Wij zullen hem naar moeilijkheden leiden. 11. Wanneer hij te gronde gaat zullen zijn rijkdommen hem niet baten. 12. Voorwaar, het is aan Ons om te leiden. 13. En aan Ons is het Hiernamaals en ook deze wereld. 14. Daarom waarschuw Ik u voor het laaiend Vuur; 15. Niemand zal er binnengaan dan de rampzaligste, 16. Die loochent en zich afwendt. 17. Maar de rechtvaardige zal ver daarvan verwijderd worden. 18. Die zijn rijkdommen weggeeft om zich te louteren. 19. En niemand heeft Hem een gunst bewezen waarvoor hij moet worden beloond. 20. Maar hij die het welbehagen zoekt van zijn Heer, de Verhevene, 21. Weldra zal hij tevreden zijn. 10 89. De Dageraad (Al-Fadjr) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 30 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Bij de dageraad, 2. En de tien nachten, 3. En het even en het oneven 4. En de nacht als deze vervaagt; 5. Daarin is zeker genoeg bewijs voor een man van begrip. 6. Weet gij niet hoe uw Heer met de Aad handelde? 7. Het volk van Iram dat verheven gebouwen bezat, 8. Wier gelijken nog in geen enkele stad zijn voortgebracht, 9. En met de Samoed die de rotsen in het dal uithieuwen? 10. En met Pharao, de heer der grote scharen? 11. Die zich in de steden aan overtreding overgaven. 12. En veel verderf daarin aanrichtten. 13. Daarom, deed uw Heer een roede der kastijding over hen nederdalen. 14. Voorwaar, uw Heer is waakzaam. 15. Wat de mens betreft, wanneer zijn Heer hem beproeft door hem te roemen en door hem gunsten te bewijzen, dan zegt hij: "Mijn Heer heeft mij geëerd." 16. Maar wanneer Hij hem beproeft door hem in zijn levensonderhoud te beperken, zegt hij: "Mijn Heer heeft mij onteerd." 17. Neen, maar gij ontziet de wees niet. 18. Noch spoort elkander aan, de armen te voeden, 19. En gij verslindt het erfdeel in zijn geheel 20. En gij houdt te veel van weelde. 21. Neen, wanneer de aarde aan stukken wordt geschud, 22. En uw Heer komt en de engelen in rijen gerangschikt zijn, 23. Op die Dag zal de hel (hem) worden getoond; op die Dag zal de mens de vermaning willen volgen, maar hoe zal de vermaning hem kunnen baten? 24. Hij zal zeggen: "o had ik (vroeger), voor dit leven iets verricht." 25. Niemand straft zoals Hij op die Dag zal straffen. 26. Noch boeit iemand zoals Hij zal boeien. 27. Maar gij, o ziel in vrede! 28. Keer tot uw Heer terug, verblijd in Allah's welbehagen. 29. Ga daarom in onder Mijn dienaren, 30. En ga Mijn paradijs binnen. 11 93. De Glorieuze Ochtend (Ad-Dhohaa) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 11 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Bij de glorie van de dag. 2. En bij de nacht als het donker is. 3. Uw Heer heeft u niet verlaten, noch is Hij mishaagd over u. 4. Voorwaar, het komende uur zal beter zijn voor u dan het vorige. 5. En voorwaar uw Heer zal u geven, en gij zult tevreden zijn. 6. Vond Hij u niet als wees, en beschermde u? 7. En vond Hij u niet zoekende en leidde Hij u? 8. En vond Hij u niet in armoede en verrijkte u? 9. Daarom verdruk de wees niet, 10. En snauw de bedelaar niet af. 11. Maar maak de gunst van uw Heer bekend. 12 94. De Expansie (Asj-Sjarh) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 8 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Hebben Wij uw borst niet voor u verruimd? 2. En uw last niet van u weggenomen? 3. Die uw rug bezwaarde? 4. En uw roem niet verheven? 5. Voorwaar, zo komt gemak naast ongemak. 6. Voorwaar, gemak komt naast ongemak. 7. Wanneer gij verlicht zijt, streef dan verder. 8. En wend u tot uw Heer. 13 103. De Tijd door de Tijden (Al-Asr) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 3 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Bij de tijd. 2. Voorzeker, de mens is te midden van verlies. 3. Behalve degenen die geloven en goede werken doen, en elkander tot waarheid, en geduld aansporen. 14 100. Zij Die Rennen (Al-Aadi'jaat) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 11 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Bij de rossen die snel en snuivend ademen, 2. Die vonken uit de hoeven slaan, 3. En bij de dageraad plotseling een aan val doen. 4. Daarbij stof opwerpen 5. En zo door het midden der vijandelijke menigte zich een weg banen. 6. Voorwaar, de mens is ondankbaar jegens zijn Heer; 7. En waarlijk, hij is daar zelf getuige van. 8. En voorzeker, hij heeft een hevige begeerte naar rijkdommen. 9. Weet zo iemand dan niet, dat hetgeen in de graven is weder zal worden opgewekt? 10. En dat het innerlijk zal worden bekend gemaakt? 11. Dat hun Heer hen op die Dag volkomen kent? 15 108. Overvloed (Al-Kausar) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 3 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Voorwaar, Wij hebben u in overvloed het goede gegeven. 2. Bid daarom tot uw Heer en offer. 3. Voorzeker, uw vijand zal uitsterven. 16 102. Opstapelen (At-Takaasor) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 8 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Jacht naar vermeerdering van rijkdom (en kinderen) maakt u onachtzaam, 2. Totdat gij in uw graven nederdaalt. 3. Neen - gij zult weldra te weten komen, 4. Nogmaals neen! Gij zult weldra te weten komen. 5. Waarlijk, indien gij de zekerheid van kennis bezit - 6. Zult gij zeker de hel zien. 7. Ja, dan zult gij haar met zekerheid van blik zien. 8. Op die Dag zult gij worden ondervraagd over de gaven. 17 107. De Noden van Buren (Al-Maa'oen) De eerste helft van dit hoofdstuk werd gereveleerd voor de Hijrah. Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 7 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Hebt gij hem gezien die deze godsdienst loochent? 2. Het is degene die de wees verstoot, 3. Hij wekt anderen niet op de armen te voeden. 4. En wee degenen die bidden, 5. En de gebeden achteloos opzeggen. 6. En zij, die er mee te koop lopen. 7. En zich er van weerhouden de behoeftige vriendelijkheid te betonen. 18 109. De Ongelovigen (Al-Kaafiroen) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 6 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Zeg: "O gij ongelovigen, 2. Ik bid niet aan, wat gij aanbidt, 3. Noch gij bidt aan, wat ik aanbid. 4. Noch wil ik aanbidden, wat gij aanbidt, 5. Nogmaals gij wilt niet aanbidden wat ik aanbid. 6. Derhalve voor u uw godsdienst en voor mij mijn godsdienst." 19 105. De Olifant (Al-Fiel) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 5 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Hebt gij niet vernomen, hoe uw Heer de bezitters der olifanten behandelde? 2. Heeft Hij hun plannen niet teniet gedaan? 3. Zond Hij geen zwermen vogels op hen neer? 4. En wierpen deze geen klompen klei? 5. Dat hen maakte als fijn gekauwd (door het vee) stro? 20 113. De Dauw (Al-Falaq) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 5 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Zeg: "Ik zoek mijn toevlucht bij de Heer van de dageraad. 2. Tegen het kwade van wat Hij heeft geschapen 3. En tegen het kwade van de duisternis wanneer deze zich verspreidt 4. En tegen het kwade van degenen die vaste banden door boze inblazingen willen ontbinden 5. En van het kwade van de benijder wanneer deze benijdt." 21 114. De Mensheid (An-Naas) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 6 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Zeg: "Ik zoek mijn toevlucht bij de Heer der mensen, 2. De Koning der mensen, 3. De God der mensen. 4. Opdat Hij mij bevrijde van het kwade der inblazingen van de duivel. 5. Die in het hart der mensen fluistert 6. Vanuit het midden der djinn en mensen." 22 112. Zuiverheid van Geloof (Al-Ichlaas) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 4 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Zeg: "Allah is de Enige. 2. Allah is zichzelf-genoeg, Eeuwig. 3. Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt. 4. En niemand is Hem in enig opzicht gelijk." 23 53. De Ster (An-Nadjm) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 62 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Bij de ster wanneer zij valt, 2. Uw metgezel is noch afgedwaald noch afgeweken, 3. Noch spreekt hij naar eigen begeerte. 4. Het is slechts de Openbaring die wordt nedergezonden. 5. Hij, die grote macht heeft, onderwees hem, 6. Die kracht bezit. Zo is hij volmaakt geworden 7. En hij staat aan de hoogste horizon. 8. Hij naderde en kwam steeds nader. 9. En werd als de spanning van twee bogen, Ja, nog dichter bij, 10. En Hij (Allah) openbaarde aan Zijn dienaar hetgeen Hij wilde openbaren. 11. Het hart loog niet over wat het zag. 12. Wilt gij dan met hem redetwisten over hetgeen hij heeft gezien? 13. En voorzeker, hij zag hem ook bij een andere nederdaling. 14. Bij de Lotusboom waar niemand voorbij mag gaan, 15. Waarnaast de Tuin van Verblijf is. 16. Toen het goddelijke Licht de Lotusboom overstraalde 17. Wendde zijn oog zich niet af, noch ging het de grens te buiten. 18. Voorwaar, hij zag de grote tekenen van zijn Heer. 19. Ziet, de Laat en de Ozza, 20. En een ander, de derde, Manaat? 21. "Zijn voor u de mannelijke wezens en voor Hem de vrouwelijke?" 22. Dat is dan een onrechtvaardige verdeling; 23. Dit zijn slechts namen die gij uitgedacht hebt - gij en uw vaderen - waarvoor Allah geen gezag heeft nedergezonden. Zij volgen slechts hun vermoedens en begeerten. En voorzeker de leiding van hun Heer is nu tot hen gekomen. 24. Krijgt de mens alles waarnaar hij verlangt? 25. Neen, aan Allah behoren het Hiernamaals en deze wereld. 26. En hoevele engelen zijn er niet in de hemelen wier voorspraak van geen nut zal zijn, behalve nadat Allah verlof heeft gegeven aan wie Hij wil en wie Hem behaagt. 27. Zij, die niet in het Hiernamaals geloven geven de engelen vrouwelijke namen, 28. Maar zij hebben daar geen kennis van. Zij volgen alleen een vermoeden en het vermoeden kan tegen de waarheid niets baten. 29. Wend u daarom van hem af die zich van de gedachtenis aan Ons afwendt, en die niets wenst dan het leven dezer wereld. 30. Zo ver reikt hun kennis. Voorwaar, uw Heer kent het beste degene die van Zijn pad afdwaalt en Hij kent het beste degene die Zijn leiding volgt. 31. En aan Allah behoort hetgeen in de hemelen en hetgeen op aarde is, opdat Hij degenen die slecht deden moge vergelden voor hetgeen zij hebben gewrocht en opdat Hij degenen die goed doen, met het beste moge belonen. 32. Zij, die behalve kleine feilen, de ergste zonden en slechtheden vermijden - voorwaar, uw Heer is de Heer der Alomvattende Vergiffenis. Hij kende u toen H. u uit aarde deed ontstaan en toen gij een embryo waart in de baarmoeder uwer moeder. Prijst daarom uzelf niet om reinheid. Hij kent de godvruchtigen het beste. 33. Ziet gij hem die zich afwendt (van het rechte pad) 34. En die weinig geeft en vrekkig is? 35. Bezit hij de kennis van het onzichtbare, zodat hij kan zien? 36. Is hem niet verteld over hetgeen in de geschriften van Mozes staat, 37. En van Abraham, die de geboden hield? 38. Dat geen drager van last de last van een ander zal dragen; 39. En dat de mens niet meer kan krijgen dan hetgeen waarnaar hij streeft. 40. En dat zijn streven spoedig zal worden opgemerkt; 41. Dan zal hij er volledig voor worden beloond. 42. En dat alles uiteindelijk tot uw Heer komt, 43. En dat Hij het is, Die doet lachen en wenen 44. En dat Hij het is, Die de dood veroorzaakt en het leven geeft. 45. En dat Hij de twee echtgenoten schept, de vrouwelijke en de mannelijke 46. Uit een levenskiem wanneer deze uitgegoten wordt: 47. En dat de volgende opwekking (tot leven) op Hem rust: 48. En dat Hij het is Die voldoening en rijkdom geeft 49. En dat Hij de Heer van Sirius is. 50. En dat Hij de oude (stam van Aad) vernietigde 51. En Samoed, en Hij spaarde (hen) niet, 52. Evenals het volk van Noach vóórdien; waarlijk zij waren uiterst onrechtvaardig en opstandig 53. En Hij bracht de verwoeste steden ten val, 54. Zodat hetgeen bedekken kon, hen bedekte. 55. Over welke gaven van uw Heer wilt gij dan redetwisten? 56. Deze waarschuwer is gelijk aan de vroegere waarschuwers. 57. Het Uur nadert, 58. Niemand behalve Allah kan het ontsluieren. 59. Verwondert gij u dan over deze aankondiging? 60. En lacht gij in plaats van te wenen, 61. Terwijl gij achteloos zijt? 62. Werpt u voor Allah neder en aanbidt (Hem). 24 80. Hij Fronsde (Abasa) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 42 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Hij (de profeet) fronste (zijn voorhoofd) en wendde zich af. 2. Omdat er een blinde man tot hem kwam. 3. (Mens) wat weet gij? Misschien wilde hij zich laten louteren. 4. Of hij kon om raad komen, en die raad zou hem van nut kunnen zijn. 5. Maar aan hem, die onverschillig is 6. Schenkt gij uw aandacht, 7. Hoewel gij er niet voor aansprakelijk zijt als hij zich niet loutert. 8. Maar hij die zich tot u haast, 9. En Allah vreest, 10. Voor hem zijt gij onverschillig. 11. Neen! Voorwaar, het is een vermaning. 12. Dus, wie het wil, laat hem er lering uit trekken. 13. (Dit is) in verheven geschriften, 14. Hoogstaand en rein, 15. In de handen van schrijvers, 16. Edel, deugdzaam. 17. Wee de mens! Hoe ondankbaar is hij! 18. Waaruit heeft Hij hem geschapen? 19. Uit een kleine levenskiem schept Hij hem en stelt zijn verhoudingen vast. 20. Dan effent Hij de weg voor hem, 21. Dan doet Hij hem sterven en geeft hem aan het graf over, 22. Dan, wanneer Hij wil, zal Hij hem weer opwekken. 23. Neen, hij heeft hetgeen Hij hem gebood, niet volbracht. 24. Laat nu de mens naar zijn voedsel zien; 25. Hoe Wij water doen neerstromen, 26. Dan de aarde splijten, 27. En graan daaruit doen groeien. 28. Ook druiven en groenten, 29. En de olijfboom en de dadelpalm. 30. En tuinen, dicht beplant. 31. En vruchten en weiden, 32. Voorziening voor u en uw vee! 33. Maar als de oorverdovende roep komt, 34. De Dag waarop een man van zijn broeder vlucht, 35. En van zijn moeder en zijn vader, 36. En van zijn vrouw en zijn kinderen, 37. Op die Dag zal een ieder een aangeiegenheid hebben die hem bezig zal houden. 38. Op die Dag zullen sommige gezichten stralend zijn, 39. Lachend, vrolijk! 40. En op andere gezichten zal op die Dag stof liggen. 41. Duisternis zal hen bedekken. 42. Dat zijn de ongelovigen, de slechten. 25 97. De Waardevolle Nacht (Al-Qadr) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 5 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Waarlijk, Wij hebben u (de Koran) nedergezonden, in de waardevolle nacht. 2. Wat weet gij (er van) wat de waardevolle nacht is? 3. De waardevolle nacht is beter dan duizend maanden. 4. Daarin dalen engelen en de Geest door Gods gebod neder (zeggende) 5. "In alles Vrede," tot het rijzen van de dageraad. 26 91. De Zon (Asj-Sjams) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 15 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Bij de zon en haar licht, 2. En bij de maan als zij deze volgt, 3. En bij de dag wanneer hij dezs onthult 4. En bij de nacht, wanneer hij haar bedekt, 5. En bij de hemel en de schepping er van. 6. En bij de aarde en haar uitgestrektheid, 7. En bij de ziel en haar volmaaktheid, 8. Hij openbaarde haar wat slecht en wat goed (voor haar) is, 9. Voorwaar, geslaagd is hij die haar loutert 10. En voorzeker hij gaat te gronde die haar te gronde richt. 11. De Samoed verloochenden de boodschap in hun opstandigheid. 12. Toen de ongelukkigste onder hen opstond, 13. Zeide de boodschapper van Allah: "Laat de kamelin van Allah vrij in haar drinken." 14. Maar zij verloochenden hem en verlamden haar, daarom vernietigde hun Heer hen volkomen om hun zonden en maakte het land met de grond gelijk. 15. En Hij vreest de gevolgen hiervan niet. 27 85. De Tekens van de Zodiak (Al-Boroej) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 22 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Bij de hemel met zijn constellaties. 2. En bij de beloofde Dag. 3. En bij de getuige en hetgeen waarover hij getuigenis aflegt. 4. Vervloekt zijn degenen die groeven maakten - 5. Daarin vuur stookten - 6. Ziet! Zij zaten er bij, 7. En waren getuigen van wat zij de gelovigen aandeden. 8. En zij wreekten zich slechts op hen omdat zij in Allah geloofden, de Almachtige, de Geprezene. 9. Aan Wie het koninkrijk der hemelen en der aarde behoort; en Allah is Getuige van alle dingen. 10. En zij, die de gelovige mannen en vrouwen vervolgen en dan geen berouw hebben, voor hen is de straf der hel, en hen wacht de straf van het branden. 11. Voorzeker, de gelovigen die goede werken doen, zullen tuinen hebben waardoor rivieren stromen. Dat is de grote zegepraal. 12. Waarlijk, de greep van uw Heer is hard. 13. Hij is het Die schept en weder voortbrengt; 14. En Hij is de Vergevende, de Liefderijke; 15. De Heer van de Troon, de Roemrijke; 16. Uitvoerder van wat Hij wil. 17. Heeft het verhaal van de heerscharen u dan niet bereikt, 18. Van Pharao en de Samoed? 19. Ja, maar de ongelovigen loochenen het. 20. En Allah omsingelt hen van achteraf. 21. Voorwaar, het is een glorierijke Koran, 22. Op een beschermde tafel. 28 95. De Vijg (At-Tien) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 8 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Bij de vijg en de olijf, 2. Bij de berg Sinaï, 3. En bij deze stad van Vrede (Makka), 4. Voorzeker, Wij hebben de mens in de beste vorm geschapen, 5. Daarna laten Wij hem vervallen tot het allerlaagste, 6. Behalve degenen die geloven en goede werken doen; hunner is een oneindige beloning. 7. Wat is de oorzaak die u het Gericht doet loochenen? 8. Is Allah niet de Rechter aller rechters ? 29 106. Qoraisj Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 4 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Ter bescherming van de Qoraishieten, 2. Ter bescherming op hun zomer- en winterreis. 3. Laten zij derhalve de Heer van dit Huis aanbidden. 4. Die hen van voedsel tegen honger heeft voorzien en van vrees bevrijd. 30 101. De Dag van Oproering (Al-Qaariah) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 11 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. De ramp. 2. Wat is de ramp? 3. En wat weet gij (er van) wat de ramp is? 4. Een Dag waarop de mensen als motten verstrooid zullen zijn. 5. En de bergen als gekaarde wol 6. Dan zal hij, wiens schalen zwaar zijn, 7. Een aangenaam leven genieten. 8. Doch hij, wiens schalen licht zijn, 9. Zijn toevlucht zal Hawi'jah zijn. 10. En gij weet niet, wat dit is. 11. Het is een laaiend Vuur. 31 75. De Resurrectie (Al-Qi'jaamah) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 40 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Neen! Ik roep de Dag der Opstanding tot getuige. 2. Neen! Ik roep de zichzelf beschuldigende ziel tot getuige. 3. Denkt de mens dat Wij zijn beenderen niet kunnen verzamelen? 4. Zeker; Wij hebben de macht hem te herstellen tot in zijn vingertoppen. 5. Maar de mens wenst in 't vervolg slecht te handelen. 6. Hij vraagt: "Wanneer is de Dag der Opstanding?" 7. Maar als het oog verblind wordt, 8. En de maan verduisterd zal zijn, 9. En de zon en de maan zullen samen gebracht worden, 10. Op die Dag zal de mens zeggen: "Waarheen te vluchten?" 11. Neen! Geen schuilplaats! 12. Slechts bij uw Heer zal dan uw toevlucht zijn. 13. De mens zal op die Dag worden onderricht over hetgeen hij vooruitzond of achterliet. 14. Neen, de mens is een bewijs tegen zichzelf. 15. Zelfs al biedt hij (zijn) verontschuldigingen aan. 16. Beweeg uw tong er niet mede om deze (woorden) haastig (opte nemen!) 17. Het verzamelen en het verkondigen er van rust op Ons. 18. Wanneer Wij dus (de Openbaring) verkondigd hebben volg dan de verkondiging. 19. Daarna rust de verklaring er van op Ons. 20. Neen, maar gij (mensen) hebt dit leven lief. 21. En gij geeft het Hiernamaals prijs. 22. Op die Dag zullen sommige gezichten verlicht zijn, 23. Opziende naar hun Heer; 24. En andere gezichten zullen op die Dag somber zijn. 25. Wetende dat een vreselijke ramp hen spoedig zal overkomen. 26. Ja! Als de ziel van de stervende tot de keel zal opstijgen, 27. En er zal worden gezegd: "Wie is de geneesheer?" 28. Dan weet hij dat hij scheiden moet. 29. En wrijft (in doodsangst) het ene been tegen het andere. 30. Dan wordt (hij) tot uw Heer gedreven, 31. Want hij (mens) nam de Waarheid niet aan, noch bad hij. 32. Doch hij verloochende (de profeet) en wendde zich af. 33. Dan ging hij trots naar zijn familie terug. 34. "Wee u! Wee dus over u." 35. "Wee u nogmaals en nog eens wee!" 36. Denkt de mens dat hij zonder doel zal worden gelaten? 37. Was hij niet een kleine levenskiem die werd uitgestort? 38. Dan werd hij een klonter bloed daarna schiep en vervolmaakte Hij hem. 39. Daarvan (de kiem) maakt Hij een paar, man en vrouw. 40. Is Hij dan niet bij machte de doden te doen herleven? 32 104. De Schandaal Verspreider (Al-Homazah) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 9 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Wee iedere leugenaar en lasteraar! 2. Die rijkdommen verzamelt en deze telt, 3. Denkende dat zijn schatten hem voor eeuwig zullen behouden. 4. Neen, hij zal zeker in het Verterende Vuur worden geworpen. 5. En wat weet gij er van wat het verterende Vuur betekent? 6. Het is het Vuur dat Allah heeft aan gewakkerd. 7. Dat boven de harten zal opstijgen. 8. Voorwaar het zal hen omsluiten 9. In uitgestrekte rijen van zuilen. 33 77. Zij Die Gezonden Waren (Al-Morsalaat) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 50 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Bij de met goedheid gezondenen. 2. En bij hen die verbrijzelen. 3. En bij hen, die heinde en ver verspreiden. 4. En bij hen die goed onderscheiden. 5. En bij hen die de vermaning toedienen, 6. Om tot verontschuldiging te brengen en te waarschuwen. 7. Voorwaar, hetgeen u is beloofd moet gebeuren. 8. Dus, als de sterren verduisterd zullen zijn. 9. En als de hemelen geopend zullen worden. 10. En als de bergen verstrooid zullen zijn. 11. En als de gezanten verzameld zullen worden. 12. Tot welke Dag is dit einde uitgesteld? 13. Tot de Dag der beslissing. 14. En wat weet gij ervan wat de Dag der beslissing is? 15. Wee op die Dag, degenen die loochenen. 16. Hebben Wij de vroegere (ongelovigen) niet vernietigd? 17. Wij zullen daarom die van latere tijden hen doen volgen. 18. Zo behandelen Wij de schuldigen. 19. Wee op die Dag degenen die loochenen! 20. Schiepen Wij u niet uit een kleine levenskiem 21. Die Wij op een veilige plaats bewaarden. 22. Voor een bepaalde tijd? 23. Zo hebben Wij bepaald. Hoe voortreffelijk zijn Wij in het bepalen! 24. Wee op die Dag degenen die loochenen! 25. Hebben Wij de aarde niet gemaakt om 26. De levenden en de doden te kunnen bevatten? 27. En hebben Wij er geen hoge bergen op geplaatst en u zoet (zuiver) watergegeven om te drinken. 28. Wee op die Dag degenen die loochenen. 29. Men zal zeggen: "Gaat naar (de straf) welke gij loochendet. 30. Begeeft u tot een schaduw van drie takken, 31. Die geen koelte geeft, noch beschermt tegen de vlam." 32. Ziet! Het (Vuur der hel) gooit vonken op als kastelen. 33. Alsof zij kamelen van een gele kleur waren. 34. Wee op die Dag degenen die loochenen! 35. Dit is een Dag waarop zij (de schuldigen) niet mogen spreken, 36. Noch zal hun worden toegestaan verontschuldigingen aan te bieden. 37. Wee op die Dag degenen die loochenen. 38. Dit is de Dag der beslissing; Wij hebben u en degenen die vroeger leefden bijeengebracht. 39. Indien gij nu enig plan hebt gebruikt het dan tegen Mij. 40. Wee op die Dag degenen die loochenen! 41. De godvruchtigen zullen te midden van schaduwen en bronnen wonen, 42. En fruit ontvangen, zoals zij zich mogen wensen. 43. (Men zal zeggen): "Eet en drinkt met smaak als beloning voor hetgeen gij placht te doen." 44. Voorwaar, zo belonen Wij degenen die goed doen. 45. Wee op die Dag degenen die loochenen. 46. "Eet en vermaakt u een poosje (in dit leven). Voorzeker, gij zijt de schuldigen." 47. Wee op die Dag degenen die loochenen. 48. En als er tot hen wordt gezegd: "Buigt u neder!" dan buigen zij zich niet. 49. Wee op die Dag degenen die loochenen. 50. In welk woord buiten dit zullen zij dan geloven? 34 50. Qaaf Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 45 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Qaaf. Bij de glorierijke Koran. 2. Maar zij verwonderen zich dat er uit e hun midden een waarschuwer tot hen kwam. En de ongelovigen zeggen: "Dit is een zonderling iets! 3. Zullen wij in het leven worden geroepen wanneer wij dood gaan en stof zijn geworden? Zulk een terugkeer is onmogelijk." 4. Wij weten wat de aarde van hen verteert en bij Ons is een Boek dat alles bewaart. 5. Neen, zij hebben de Waarheid verloochend toen deze tot hen kwam, derhalve zijn zij in een verwarde toestand geraakt. 6. Zien zij niet naar de hemel boven hen hoe Wij deze hebben opgericht en versierd en dat dezelve geen gebreken heeft? 7. En de aarde - Wij hebben haar uitgespreid en stevige bergen er op gevestigd en Wij hebben er elk prachtig gewas op doen groeien. 8. Als inzicht en les voor iedere dienaar die zich er toe wendt. 9. En Wij zenden water vol zegeningen uit de hemel neder en Wij brengen daarmee tuinen en graan voort waarvan kan worden geoogst 10. En hoge palmbomen met bloeikolve over elkander gegroeid 11. Als voorziening voor Onze dienaren en Wij verkwikken daarmee een dood land. - Zo zal ook de Opstanding zijn. 12. Vóór hen verloochende ook het volk van Noach, de mensen van de Bron en het volk van Samoed, 13. Het volk van Aad, en Pharao en de broeders van Lot eveneens, 14. En de Bosbewoners, en het volk van Tobba, elk hunner verloochende de boodschapper. Daarom ging de bedreiging in vervulling. 15. Zijn Wij dan uitgeput door de eerste schepping? Neen, zij zijn in twijfel omtrent de nieuwe schepping. 16. En voorzeker, Wij hebben de mens geschapen en Wij weten alles wat zijn Ik hem toefluistert. En Wij zijn nader tot hem dan zijn halsader. 17. Wanneer de twee (engelen) die te boek stellen, schrijven, zit de een aan de rechter-, de andere aan de linkerzijde. 18. Hij uit geen woord of er is een bewaker bij hem, die altijd klaar staat. 19. En de bezwijming des doods komt waarlijk. "Dit is hetgeen gij wildet ontvrluchten." 20. En er zal op de bazuin worden geblazen. "Dit is de Dag der Bedreiging." 21. En iedere ziel zal tezamen komen met een geleider en een getuige. 22. Er zal worden gezegd: "Gij waart hieromtrent achteloos. Nu hebben Wij uw sluier van u weggenomen en uw oog ziet deze Dag scherp." 23. En zijn metgezel zal zeggen: "Dit is hetgeen bij mij gereed is." 24. "Werpt, werpt in de hel elke ondankbare vijand. 25. "Die het goede belette, de overtreder, de twijfelaar, 26. "Die een andere God naast Allah oprichtte, doet hem de strenge marteling ondergaan." 27. Zijn metgezel zal zeggen: "O, onze Heer, ik maakte hem niet opstandig maar hij was te ver afgedwaald." 28. God zal antwoorden: "Redetwist niet in Mijn tegenwoordigheid, terwijl Ik u de waarschuwing vooraf heb gezonden. 29. Het vonnis door Mij geveld kan niet worden veranderd en Ik ben in het geheel niet onrechtvaardig jegens Mijn dienaren." 30. Op die Dag zullen Wij tot de hel zeggen: "Zijt gij gevuld?" En zij zal antwoorden: "Is er nog iets?" 31. En de Hemel zal dicht bij de rechtvaardigen worden gebracht en niet ver verwijderd. 32. Dit is hetgeen was beloofd voor een ieder die zich bekeerde en die waakzaam was, 33. Die de Barmhartige in het verborgene vreesde en met een berouwvol hart tot Hem kwam. 34. Gaat hier in vrede binnen. Dit is de Dag der Eeuwigheid. 35. Voor hen zal daarin zijn wat zij wensen en bij Ons is nog meer. 36. Maar hoevele geslachten hebben Wij (niet) vóór hen vernietigd, die machtiger in gezag waren dan dezen! Zij trokken door het land, maar was er een toevluchtsoord voor hen? 37. Daarin is voorwaar een vermaning voor hem die een hart heeft of die luistert en oplettend is. 38. En voorwaar, Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles wat er tussen is in zes dagen en geen vermoeidheid raakte Ons. 39. Heb dus geduld met wat zij zeggen en verheerlijk uw Heer met de lof die Hem toekomt, vóór zonsop- en ondergang. 40. En verheerlijk Hem 's nachts en na de gebeden. 41. En luister! De Dag, waarop de omroeper vanuit een dichtbijzijnde plaats zal roepen, 42. De Dag, waarop zij de kreet in werkelijkheid zullen horen, dat zal de Tijd zijn van het voor den dag komen. 43. Voorwaar, Wij zijn het die leven geven en de dood veroorzaken, en tot Ons is de terugkeer. 44. De Dag, waarop de aarde onder hen vaneen zal splijten, is het verzamelen gemakkelijk voor Ons. 45. Wij weten het beste wat zij zeggen en gij zijt er niet om hen te dwingen. Vermaan dus met de Koran hem die Mijn bedreiging vreest. 35 90. De Stad (Al-Balad) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 20 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Ik zweer bij deze stad (Makka), 2. En gij zijt vogelvrij in deze stad. 3. En bij de vader en wat hij verwekte. 4. Voorwaar, Wij hebben de mens geschapen om moeilijkheden (te overwinnen). 5. Denkt hij dat niemand macht over hem heeft? 6. Hij zegt: "Ik heb veel rijkdommen verkwist." 7. Denkt hij dat niemand hem ziet? 8. Hebben Wij hem niet twee ogen gegeven? 9. En een tong en twee lippen? 10. Hebben Wij hem dan niet de twee hoofdwegen getoond? 11. Maar hij besteeg de heuvel niet. 12. En wat weet gij (er van) wat de heuvel is? 13. Een slaaf te bevrijden 14. Of, op de dag van honger iemand te voeden 15. Of een wees die u verwant is. 16. Of een arme die in het stof rolt. 17. Bovendien behoort hij (die dit doet) tot hen, die geloven en elkander aansporen tot geduld en die elkander aansporen tot barmhartigheid. 18. Dezen zullen aan de rechter hand zijn. 19. Maar zij, die niet in Onze tekenen geloven zullen aan de linker hand zijn. 20. Een gesloten Vuur zal hen omringen. 36 86. De Nachtelijke Bezoeker (At-Taariq) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 17 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Bij de hemel en bij de morgenster. 2. En wat weet gij (er van) wat de morgenster is? 3. Het is een ster van doordringende helderheid. 4. Er is geen ziel waarover geen wachter is. 5. Laat de mens derhalve overwegen waaruit hij geschapen werd. 6. Hij werd uit een stromende vloeistof geschapen, 7. Welke voortkomt van tussen de ruggegraat en de ribben. 8. Voorzeker, Hij kan hem (tot het leven) terugroepen. 9. Op de Dag waarop de geheimen zullen worden geopenbaard. 10. Dan zal hij geen kracht en geen helper hebben. 11. Bij de wolk die regen geeft. 12. En de aarde, die door planten splijt. 13. Dit is zeker een beslissend woord, 14. Het is geen scherts. 15. Voorwaar zij smeden een plan. 16. En ook Ik smeed een (machtiger) plan. 17. Geef derhalve de ongelovigen voor een wijle uitstel, 37 54. De Maan (Al-Qamar) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 55 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Het Uur is nabij, en de Maan is opengespleten. 2. Maar als zij (de ongelovigen) een teken zien wenden zij zich er van af en zeggen: "Een voortdurende toverkunst." 3. Zij verloochenen en volgen hun eigen begeerten. Maar elke verordening (Gods) zal plaats hebben. 4. En er zijn reeds tijdingen tot hen gekomen waarin een waarschuwing ligt. 5. Volmaakte wijsheid; maar de waarschuwingen helpen hen niet. 6. Wend u daarom van hen af. De Dag waarop de aankondiger hen zal roepen tot iets onaangenaams, 7. Dan zullen zij met nedergeslagen ogen uit hun graven komen als verstrooide sprinkhanen, 8. Zich naar de omroeper haastend. De ongelovigen zullen zeggen "Dit is een moeilijke dag." 9. Vóór hen verloochende het volk van Noach, zij verloochenden Onze dienaar en zeiden: "Een waanzinnige." En hij werd verdreven. 10. Daarom bad hij tot zijn Heer: "Ik ben gewis verslagen, sta mij bij." 11. Toen openden Wij de poorten van de hemel voor het stromende water. 12. En Wij spleten de aarde door bronnen, waar door de wateren elkander ontmoetten volgens een vastgesteld plan. 13. En Wij droegen hem op iets, bestaande uit planken en spijkers. 14. Het dreef onder Onze ogen voort als een beloning voor hem, die verworpen was. 15. En Wij maakten dit tot een teken. Is er iemand die er lering uit trekt? 16. Hoe vreselijk was Mijn straf en Mijn waarschuwing! 17. En Wij hebben inderdaad de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning. Is er iemand die er lering uit trekt? 18. Aad verloochende eveneens. Hoe (ernstig) was Mijn straf en Mijn waarschuwing! 19. Wij zonden een woedende wind tegen hen, op een kwade, onvergetelijke dag. 20. Die mensen wegtrok als waren zij de stammen van ontwortelde palmbomen. 21. Hoe groot was toen Mijn straf en Mijn waarschuwing! 22. En Wij hebben inderdaad de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning. Is er iemand die er lering uit trekt? 23. Ook (het volk van) Samoed verloochende de waarschuwers. 24. En zij zeiden: "Moeten wij een man uit ons midden volgen? Dan zouden wij inderdaad verdwaald en krankzinnig zijn. 25. Is de vermaning hem alleen gegeven? Neen, hij is een grote leugenaar en misdadiger." 26. Morgen zullen zij weten wie de grote leugenaar en misdadiger is! 27. Wij zullen de kameel zenden om hen op de proef te stellen. Let daarom op hen en heb geduld. 28. En zeg hun, dat het water tussen hen is verdeeld en dat de tijd van elke drinkbeurt in acht moet worden genomen. 29. Maar zij riepen hun metgezel, deze nam het (kameel) en verlamde het. 30. Hoe vreselijk was toen Mijn straf en Mijn waarschuwing! 31. Wij zonden een enkele straf tegen hen en zij werden als droog, vertrapt stro. 32. En Wij hebben inderdaad de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning. Is er iemand die er lering uit trekt? 33. Het volk van Lot verloochende de waarschuwers ook. 34. En Wij zonden een storm van stenen over hen allen met uitzondering van de familie van Lot, die Wij bij de dageraad verlosten, 35. Als een gunst van Ons. Zo belonen Wij hen die dank betuigen. 36. En Lot had hen inderdaad voor Onze straf gewaarschuwd doch zij trokken de waarschuwingen in twijfel. 37. En zij trachtten hem van zijn gasten af te keren. Daarom verblindden Wij hun ogen en zeiden: "Ondergaat nu Mijn straf en Mijn waarschuwing." 38. En de volgende morgen vroeg kwam er een blijvende straf over hen. 39. "Ondergaat nu Mijn straf en Mijn waarschuwing." 40. En Wij hebben inderdaad de Koran gemakkelijk gemaakt ter vermaning. Is er iemand die er lering uit trekt? 41. Er kwamen ook waarschuwers tot het volk van Pharao. 42. Zij verwierpen al Onze tekenen, daarom grepen Wij hen gelijk het grijpen van een krachtige en machtige. 43. Zijn uw ongelovigen beter dan dezen? Of zijt gij vrijgesteld in de geschriften? 44. Zeggen zij: "Wij zijn een overwinnende schare?" 45. De scharen zullen allen op de vlucht worden gejaagd en zij zullen hun rug tonen. 46. Neen, het Uur is hun vastgestelde tijd en het Uur zal uiterst rampzalig en bitter zijn. 47. Voorzeker, de overtreders zullen in dwaling verkeren en zich in een vlammend Vuur bevinden. 48. De Dag, waarop zij met hun aangezicht in het Vuur zullen worden gesleurd, zal er tot hen worden gezegd: "Voelt de aanraking der hel." 49. Voorwaar, Wij hebben alles naar maat geschapen. 50. En Ons gebod komt in één oogwenk. 51. En Wij hebben inderdaad uw gelijken vernietigd. Is er iemand die er lering uit trekt? 52. En al hetgeen zij deden staat in de geschriften. 53. En alles, groot of klein, is nedergeschreven. 54. Voorwaar, de rechtvaardigen zullen te midden van tuinen en rivieren zijn. 55. Op de juiste plaats in de tegenwoordigheid van de Almachtige Koning. 38 38. Saad (de brief -eng) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 88 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Saad. Bij de Koran vol van aanzien. 2. Maar de ongelovigen zijn in valse trots en strijd. 3. Hoevele geslachten hebben Wij vernietigd vóór hen! Zij schreeuwden het uit, toen er voor ontkomen geen tijd meer was. 4. En dezen verwonderen zich, omdat een waarschuwer uit hun midden tot hen is gekomen; en de ongelovigen zeggen. "Dit is een tovenaar en een leugenaar. 5. Heeft hij van vele Goden één God gemaakt? Dit is voorzeker iets eigenaardigs." 6. En de leiders onder hen zeggen: "Gaat voort en houdt u aan uw Goden. Dit is voorzeker gewenst. 7. Wij hebben hieromtrent in de laatste godsdienst niets gehoord. Dit is niets anders dan een verzinsel. 8. Aan hem is onder ons de vermaning gezonden?" Neen, zij twijfelen aan Mijn vermaning, zij hebben Mijn straf nog niet ondergaan. 9. Bezitten zij de schatten der barmhartigheid van uw Heer, de Machtige, de Milddadige? 10. Of is het koninkrijk der hemelen en der aarde en alles wat er tussen is van hen? Laat hen dan hun middelen vermeerderen. 11. Zij zijn een leger van bondgenoten dat zal worden verslagen. 12. Vóór hen loochende het volk van Noach, en Aad en Pharao - de heer der scharen - 13. En de Samoed, en het volk van Lot, e: en de woudbewoners; dezen waren bond genoten. 14. Allen verloochenden de boodschappers, daarom werd Mijn straf verwerkelijkt. 15. En dezen wachten slechts op een enkele roep waarvoor geen uitstel zal zijn. 16. Zij zeggen: "Onze Heer, geef ons spoedig ons deel vóór de Dag der Afrekening." 17. Verdraag hetgeen zij zeggen en gedenk onze dienaar David, heer van macht; voorzeker hij was altijd tot God geneigd. 18. Wij onderwierpen de bergen om met hem (God) te verheerlijken bij avond en ochtend. 19. En de vogelen die tezamen verzameld waren, waren hem allen gehoorzaam. 20. En Wij versterkten zijn koninkrijk en gaven hem wijsheid en een beslissend oordeel. 21. En heeft het verhaal van de tegenstanders u bereikt? Hoe zij over de muur van zijn kamer klommen; 22. Hoe zij bij David binnenkwamen en hij hen vreesde. Zij zeiden: "Vrees niet, wij zijn twee procesvoerders, waarvan de ene de ander onrecht heeft aangedaan; spreek daarom recht tussen ons in waarheid en handel niet onrechtvaardig en leid ons naar het rechte pad." 23. "Deze is mijn broeder; hij heeft negen en negentig ooien, en ik heb maar één ooi. Toch zegt hij: 'Geef haar aan mij' en hij was mij in het dispuut de baas." 24. David zeide: "Voorzeker, hij heeft u onrecht aangedaan door uw ooi te eisen naast zijn eigen ooien. En voorzeker, vele der mededingers doen elkaar onrecht aan, met uitzondering van hen, die geloven en goede werken doen: en zij zijn slechts weinigen." En David bemerkte, dat Wij hem hadden beproefd, daarom vroeg hij om vergiffenis van zijn Heer en zich tot Hem wendend, viel hij in gebed neder. 25. Daarom gaven Wij hem bescherming en inderdaad had hij een dichte toenadering en een voortreffelijk toevlucht tot Ons. 26. (Wij zeiden): "O David, Wij hebben u als stedehouder op aarde aangewezen, spreek daarom recht over de mensen naar waarheid en volg (hun) begeerten niet, anders zullen zij u van de weg van Allah afleiden." Degenen, die van de weg van Allah afdwalen zullen gewis een strenge straf ontvangen, omdat zij de Dag des Oordeels vergeten. 27. En Wij hebben de hemelen en de aarde en alles wat er tussen is niet tevergeefs geschapen - Dat is het vermoeden der ongelovigen. En wee de ongelovigen vanwege het Vuur. 28. Zullen Wij degenen, die geloven en goede werken doen op dezelfde wijze behandelen als de onheilstichters op aarde of moeten Wij de godvruchtigen en de bozen gelijk stellen? 29. Het Boek dat Wij aan u hebben geopenbaard is vol van zegeningen, laat hen dus over zijn verzen nadenken en laat de verstandigen er lering uit trekken. 30. En aan David schonken Wij Salomo; een voortreffelijke dienaar, die altijd (tot Ons) geneigd was. 31. Herinnert u, toen er renpaarden van het edelste ras en vlug ter been op een avond voor hem werden gebracht, 32. Dat hij zeide: "Ik houd van goede dingen vanwege de gedachtenis aan mijn Heer." Toen zij (de zon) door een sluier verborgen waren, zei hij: 33. "Brengt ze naar mij terug." Toen begon hij ze over hun benen en nek te strijken. 34. Voorzeker Wij beproefden Salomo en op zijn troon zetten Wij een zielloos lichaam. En hij (Salomo) wendde zich tot (God). 35. En zeide: "O mijn Heer, vergeef mij, en schenk mij een koninkrijk hetwelk na mij voor niemand anders is; zeker, Gij zijt de Milddadige." 36. Wij onderwierpen de wind aan hem, die op zijn gebod zachtjes waaide waarheen hij wilde, 37. En deskundigen en allerlei bouwers en duikers, 38. Alsook anderen, die met ketenen geboeid waren. 39. Wij zeiden: "Dit is Onze gave. Wees vrijgevig of spaarzaam, er zal daarover geen oordeel zijn." 40. En hij had inderdaad een dichte toenadering tot Ons en een voortreffelijke toevlucht. 41. Herinnert u Onze dienaar Job, toen hij tot zijn Heer riep: "Satan heeft mij met kommer en smart geslagen." 42. Wij zeiden: "Spoor uw rijdier met uw voet aan, hier is koel water om u er mee te wassen en ook om te drinken." 43. Wij schonken hem zijn familie en evenveel bovendien, als een barmhartigheid van Ons en als les voor mensen van begrip. 44. (En Wij zeiden:) "Neem een handvol gedroogde stengels in uw hand en sla er mee, en breek uw eed niet." Wij vonden hem standvastig. Hij was een voortreffelijke dienaar en altijd tot Ons geneigd. 45. En gedenk Onze dienaren Abraham, Izaak en Jacob, de bezitters van macht en inzicht. 46. Wij verkozen hen in het bijzonder - ter vormaning betreffende het laatste tehuis. 47. En waarlijk, zij zijn in Onze ogen de uitverkorenen en de goeden. 48. En gedenk Ismaël, Eliza en Zolkifl; zij behoren allen tot de besten. 49. Dit is een aanmaning. En voor de godvruchtigen zal zeker een voortreffelijke toevlucht zijn. 50. Tuinen der eeuwigheid met de poorten wijd voor hen open; 51. Op tronen rustend zullen zij daarin om overvloedig vruchten en drank roepen. 52. En bij hen zullen vrouwen zijn, die haar blikken weerhouden, metgezellen van gelijke leeftijd. 53. Dit is hetgeen u beloofd is voor de Dag des Oordeels. 54. Voorwaar dit is Onze voorziening die nooit uitgeput zal zijn. 55. Dit is (voor de gelovigen). Maar voor de opstandigen zal er een slechte plaats van terugkeer zijn. 56. De hel! daarin zullen zij branden, het is een slechte rustplaats, 57. Deze! Laat hen daarom een kokende en een ijskoude drank proeven. 58. En meer dergelijke van verschillende soorten. 59. Hier is een groep van uw volgelingen die er samen met u ingestort zal worden. (Zij zullen zeggen:) "Geen welkom voor hen, zij moeten in het Vuur branden." 60. Zij zullen antwoorden: "Wee, gij zijt het, voor wie geen welkom is. Gij hebt dit voor ons bereid. En het is een slechte plaats!" 61. Zij zullen zeggen: "Onze Heer, wie dit voor ons bereid heeft, voeg hem een dubbele straf in het Vuur toe." 62. En zij zullen zeggen: "Hoe komt het dat wij de mensen die wij onder de bozen rekenden, niet meer zien?" 63. "Hebben wij hen ten onrechte bespot of zien onze ogen hen niet?" 64. Voorzeker, het onderlinge redetwisten van de mensen in het Vuur is de waarheid. 65. Zeg: "Ik ben slechts een waarschuwer; en er is geen God naast Allah, de Ene, de Onweerstaanbare; 66. De Heer van de hemelen en de aarde, en alles wat er tussen is, de Machtige, de Vergevensgezinde. 67. Zeg: "Het is een belangrijke mededeling, 68. Doch gij wendt u er van af. 69. Ik heb geen kennis van de verheven vergadering toen zij onderling redetwistten, 70. Slechts dit is aan mij geopenbaard dat ik een duidelijke waarschuwer ben." 71. Toen uw Heer tot de engelen zeide: "Ik ga de mens uit klei scheppen, 72. En wanneer Ik hem heb gevormd en hem van Mijn geest heb ingeademd, werpt u dan in gehoorzaamheid voor hem neder. 73. Derhalve vielen alle engelen neder, 74. Doch Iblies niet, hij toonde hoogmoed en behoorde tot de ongelovigen. 75. God zeide: "O Iblies, wat heeft u verhinderd te buigen voor hem, die Ik met Mijn Hand heb geschapen? Zijt gij te trots of behoort gij tot de (hoog) verhevenen?" 76. Hij zeide: "Ik ben beter dan hij, Gij hebt mij uit vuur en hem uit klei geschapen." 77. God zeide: "Ga dan hier vandaan, voorzeker gij zijt de verworpene. 78. En Mijn vloek zal op u rusten tot de Dag des Oordeels." 79. Hij zeide: "O mijn Heer, vergun mij dan uitstel tot de Dag waarop zij zullen worden opgewekt." 80. God zeide: "U wordt uitstel verleend, 81. Tot de Dag van de bepaalde tijd." 82. Hij zeide: "Bij Uw eer, ik zal hen allen zeker doen dwalen, 83. Behalve Uw oprechte dienaren." 84. God zeide: "Dit is de waarheid en Ik zeg de waarheid, 85. Dat Ik de hel zeker met u en allen die u volgen, zal vullen." 86. Zeg: "Ik vraag u er geen loon voor, noch breng ik u in moeilijkheden. 87. Dit is slechts een vermaning voor de werelden. 88. En na een wijle zult gij de tijding er van te weten komen." 39 7. De Verheven Plaatsen (Al-Aa'raaf) Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 206 strofen. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. 1. Alif Laam Miem Saad. 2. (Dit is) een (volmaakt) Boek, dat aan u is geopenbaard - laat er daarom in uw hart geen twijfel zijn om er mede te waarschuwen; - dit is een aanmaning voor de gelovigen. 3. Volgt hetgeen u van uw Heer is nedergezonden en volgt geen andere vrienden, dan Hem. Hoe gering is de lering, die gij trekt. 4. Hoeveel steden hebben Wij vernietigd! Onze straf overviel hen gedurende de nacht of tijdens de middagslaap. 5. Toen Onze Straf over hen kwam, was hun roep niet anders dan dat zij zeiden: "Wij waren inderdaad onrechtvaardigen." 6. En Wij zullen degenen, tot wie de boodschappers waren gezonden zeker ter verantwoording roepen; en Wij zullen de boodschappers ook ondervragen. 7. Dan zullen Wij hen zeker met kennis doen weten; want Wij zijn nooit afwezig. 8. En het wegen (der menselijke daden) zal op die Dag eerlijk zijn. Degenen, wier schalen zwaar zijn zullen slagen. 9. En zij, wier schalen licht zullen zijn, deden hun zielen tekort, omdat zij ten opzichte van Onze tekenen onrechtvaardig waren. 10. En Wij hebben u op aarde gevestigd en u daarop van middelen van bestaan voorzien. Hoe weinig dankbaar zijt gij! 11. Wij schiepen u, daarna vormden Wij u; toen zeiden Wij tot de engelen: "Onderwerpt u aan Adam" en zij onderwierpen zich, behalve Iblies; hij behoorde niet tot degenen die zich onderwierpen. 12. (Allah) zeide: "Wat belette u, u te onderwerpen, toen Ik u (dat) gebood?" Hij antwoordde: "Ik ben beter dan hij. Gij hebt mij uit vuur en hem uit klei geschapen. 13. (Allah) zeide: "Verwijder u van hier - het is niet aan u, hier hoogmoedig te zijn. Ga heen, gij behoort stellig tot degenen, die vernederd zullen worden." 14. Hij zeide: "Geef mij uitstel tot aan de Dag waarop zij zullen worden opgewekt." 15. (Allah) zeide: "U is uitstel verleend." 16. Hij antwoordde: "Welnu, daar gij mij liet dwalen zal ik hen voorzeker in de weg gaan zitten op Uw rechte pad." 17 |